We gebruiken de term craniosynostose voor een te vroege sluiting van een schedelnaad. Vanuit die aangetaste naad kan de schedel niet groeien. Om ruimte te creëren voor de groeiende hersenen compenseert de schedel door extra te groeien vanuit de andere schedelnaden. Zo raakt de schedel vervormd.
Als maar één schedelnaad te vroeg sluit, groeit de schedel nog voldoende om de ontwikkelende hersenen plaats te geven. Maar wanneer meerdere schedelnaden verbenen, kan de schedel soms onvoldoende groeien. Dat kan leiden tot een te hoge druk in de schedel en – als het probleem niet wordt behandeld – een gestoorde hersenontwikkeling.
De schedelnaden of suturen
De schedelnaden of suturen bevinden zich tussen de verschillende beenderen die de schedel vormen. De naden zijn noodzakelijk om de schedel te laten groeien onder invloed van de ontwikkelende hersenen.
Er zijn vier types schedelnaden:
- De metopische naad: tussen de voorhoofdsbeenderen
- De twee coronale naden: tussen de wand- en voorhoofdsbeenderen
- De pijlnaad of sagittale naad: tussen de twee wandbeenderen
- De lambdoïdale naad: tussen de wandbeenderen en het achterhoofdsbeen
Craniosynostose of niet?
Afwijkingen aan de vorm van de schedel zijn niet altijd het gevolg van een te vroeg gesloten schedelnaad. Soms hebben baby’s een voorkeurshouding en draaien ze hun hoofd altijd in dezelfde richting. Omdat baby’s vooral op hun achterhoofd liggen, plat de schedel dan aan één kant af en verplaatsen het voorhoofd, het oor en de externe gehoorgang zich aan die kant naar voor. Dat fenomeen noemen we positionele plagiocephalie.
We kunnen de afwijking corrigeren door ervoor te zorgen dat het kind niet altijd op dezelfde zijde ligt. In ernstige gevallen kunnen we een op maat gemaakte helm voorschrijven. Er is echter geen bewijs dat een helm op de langere termijn een gunstig effect heeft op de schedelvorm.
Onderzoeken
Meestal stellen we de diagnose van craniosynostose op basis van de typische uiterlijke kenmerken. We kunnen de gesloten naad ook vaak voelen. We plannen een echografie en soms een CT-scan bij twijfel of als we vermoeden dat de afwijking het gevolg is van een syndroom.