Afhankelijk van je klachten ga je op consultatie bij de uroloog, de gynaecoloog en/of de chirurg. Die zal je uitgebreid bevragen en je verder onderzoeken. De mogelijke onderzoeken zijn:
- vaginaal onderzoek
- rectaal onderzoek
- plasdagboek
- urineonderzoek
- uroflowmetrie
- echografie
- (video)urodynamisch onderzoek
- defecografie
- cystoscopie
Vaginaal onderzoek
Bij een vaginaal onderzoek vraagt de arts je om te persen. Soms is een verzakking of urine- of stoelgangverlies dan al merkbaar. Nadien brengt de arts een speculum (eendenbek) in de vagina in om de baarmoederhals of de vaginatop te bekijken. In de drie compartimenten van de bekkenbodem speurt de arts naar een verzakking, door telkens maar één blad van het speculum in de vagina te brengen en je vervolgens te laten persen.
Met een inwendig onderzoek - met een of twee vingers in de vagina en de andere hand op de buik - controleert de arts de spierspanning, de grootte, ligging en beweeglijkheid van de baarmoeder en de eierstokken.
Lees meer in de folder Gynaecologisch onderzoek (144.08 KB) "pdf"
Rectaal onderzoek
Heb je ook stoelgangproblemen, dan kan het nodig zijn om de spanning, anatomie en het functioneren van de sluitspier (aan- en ontspannen) te onderzoeken. Bij een verzakking in het achterste compartiment (darm) of vermoeden van een afwijking in het uiteinde van het anaal kanaal of de endeldarm, onderzoekt de arts de anus met de vinger (rectaal toucher) of met een buisvormig toestel (rectoscoop).
Plasdagboek
In een plasdagboek hou je bij wanneer en hoeveel je bewust plast, en of je ongewild urineverlies hebt. Het geeft ons een zicht op de hoeveelheid urine die je uitplast. In het dagboek hou je ook bij wanneer, wat en hoeveel je drinkt, om je vochtinname in kaart te brengen.
Je vult het plasdagboek drie dagen in. Die hoeven niet opeenvolgend zijn. Je start na de ochtendplas en eindigt met de eerste plas de daaropvolgende ochtend.
Urineonderzoek
Voor een urineonderzoek moet je doorgaans een staal ‘midstream’ urine inleveren. Dat is de urine die je opvangt nadat je het eerste deel van de blaasinhoud hebt uitgeplast. Zo voorkom je ‘verontreiniging’ van de urine.
Een urineonderzoek kan op verschillende manieren gebeuren, afhankelijk van wat jouw arts wil onderzoeken.
- Urine dipstick test: de arts dopt een teststrip in de urine en leest er de samenstelling van de urine op af. De test toont o.a. of er witte of rode bloedcellen, nitrieten en eiwitten in aanwezig zijn.
- Urinesediment: dit microscopisch onderzoek in het labo bepaalt o.a. het aantal witte en rode bloedcellen en bacteriën in de urine.
- Urinekweek: dit bacteriologisch labo-onderzoek kan de aanwezigheid van een bacterie aantonen. Een bijkomend antibiogram geeft aan voor welke antibiotica de bacterie gevoelig is.
Uroflowmetrie
Een uroflowmetrie is een uitwendig onderzoek dat het plasvolume, de kracht van de plasstraal en het plaspatroon meet.
Voor een uroflowmetrie plas je in een speciaal toilet, met op de bodem een roterend schijfje. Door de plasstraal vertraagt dat roterend schijfje, en die vertraging wordt omgezet in een curve. Het toestel bevindt zich in een toiletruimte op de polikliniek urologie. De verpleegkundige brengt je ernaartoe en geeft je instructies. Je plast er in alle privacy – voor een accurate meting is het de bedoeling dat je plast zoals je dat thuis zou doen.
Om voldoende informatie te kunnen halen uit de uroflowmetrie is het belangrijk dat je met een volle blaas naar het onderzoek komt. Drink vooraf dus voldoende en plas niet voor je vertrek thuis of bij aankomst in het ziekenhuis.
Echografie
Een echografie is een beeldvormingstechniek die gebruikmaakt van geluidsgolven met hoge frequentie om structuren in het lichaam – zoals de blaas, de baarmoeder en de eierstokken – in beeld te brengen.
- Vaginale (inwendige) of abdominale (uitwendig op de buik) echografie: we bekijken de blaas, baarmoeder en eierstokken om na te gaan of de klachten veroorzaakt worden door een gezwel in de buik, en om de blaasinhoud te meten.
- Transperineale echografie: met een uitwendige echografie van het perineum – het gebied tussen de vagina en de anus – sporen we een verzakking van de blaas, baarmoeder of endeldarm op. Ook mesh-implantaten en een sling zijn zichtbaar op een transperineale echo.
- Echografie van de blaas: met deze echo controleren we de lediging van de blaas (eventueel na een uroflowmetrie).
- Transanale echografie: in geval van stoelgangincontinentie brengt de gastro-enteroloog met deze echo de anatomie van de sluitspier in beeld om na te gaan of er defecten zijn. Om de kracht en het gevoel van de sluitspier te evalueren, voert hij meestal ook een anale manometrie uit. De arts brengt daarvoor een ballon in waarmee hij de druk in rust en tijdens het persen meet.
(Video)urodynamisch onderzoek
Een urodynamisch onderzoek of blaasfunctieonderzoek is een inwendig onderzoek waarmee we de vullings- en ledigingsfase van de blaas controleren. Soms is het nodig om tijdens dit onderzoek ook radiologische beelden te maken (= video-urodynamisch onderzoek). We onderzoeken of de lagere urinewegen naar behoren functioneren door de druk in de blaas, de buik en de plasbuis te meten terwijl we de blaas vullen en ledigen.
De verpleegkundige die het onderzoek uitvoert, zal je informeren en begeleiden. Om de metingen te kunnen doen, brengt de verpleegkundige een meetsonde – een dun, soepel buisje – in de plasbuis en de anus in. Dat is wat vervelend, maar het is niet pijnlijk. De blaas wordt nadien langzaam gevuld. Het is belangrijk dat je dan goed aangeeft wat je precies voelt. Om de metingen te controleren en eventueel urineverlies op te sporen, zal de verpleegkundige je af en toe vragen om te hoesten. Als de plasdrang te sterk wordt, schuift de verpleegkundige het uroflowtoestel onder de onderzoekstafel waarin je vervolgens mag plassen.
We voeren dit onderzoek meestal twee keer na elkaar uit om zoveel mogelijk informatie te verzamelen. Soms doen we tegelijk (bij vrouwelijke patiënten) een vaginaal onderzoek en plaatsen we tijdelijk een pessarium.
Het (video-)urodynamisch onderzoek gebeurt op de polikliniek urologie en duurt ongeveer een uur. Je hoeft voor dit onderzoek geen volle blaas te hebben. Drink niet abnormaal veel in de uren voor het onderzoek.
• Lees meer in de folder Blaasfunctieonderzoek (92.29 KB) "pdf".
• Lees meer in de folder Pessarium (306.82 KB) "pdf".
Defecografie
Een defecografie is een röntgenonderzoek waarmee we de werking van de endeldarm, de sluitspier en de bekkenbodemspieren onderzoeken. Je krijg een contrastmiddel toegediend en maakt nadien op een aangepast toilet stoelgang terwijl er röntgenfoto’s worden genomen van de blaas, vagina en endeldarm – het voorste, middelste en achterste compartiment van de bekkenbodem. Op die manier willen we de oorzaak van de stoelgangsproblemen achterhalen.
Met een defecografie kunnen we bepaalde afwijkingen opsporen, zoals een uitstulping van de voorwand van de endeldarm in de achterwand van de vagina (rectocoele), een deel van de dikke darm dat in een volgend deel schuift (darminvaginatie) of een indalende dunne darm (enterocoele).
We onderzoeken de bekkenbodemorganen soms ook met een MR-defecografie. Dat onderzoek verloopt op dezelfde manier, maar maakt gebruik van een MRI-scan, en dus van magnetische velden, i.p.v. röntgenbeelden.
Cystoscopie
Een cystoscopie is een inwendig kijkonderzoek van de blaas en de plasbuis. De verpleegkundige zal je begeleiden en informeren tijdens het onderzoek.
De uroloog voert het onderzoek uit en brengt hiervoor de cystoscoop (soepel instrument met camera) via de plasbuis in de blaas in. Dat kan even onaangenaam zijn. De blaas wordt gevuld met vocht. De uroloog bedient de cystoscoop en krijgt de beelden rechtstreeks op een scherm te zien. Zo onderzoekt de uroloog de blaaswand en de plasbuis.
Het onderzoek gaat door op de polikliniek urologie en duurt ongeveer 15 minuten. De verpleegkundige zal je voor het onderzoek vragen om in een potje te plassen voor een urinestaal. Plas dus niet vooraf thuis of bij aankomst in het ziekenhuis.