We kunnen niet altijd zeggen hoeveel operaties er precies nodig zullen zijn. Dit zijn, in grote lijnen, de mogelijke operaties in chronologische volgorde.
- Sluiting van de lip en eerste herstel van de neus
- Sluiting van het gehemelte
- Plaatsing van trommelvliesbuisjes
- Ingrepen om de spraak te verbeteren
- Plaatsing van een alveolaire botent
- Behandeling en evaluatie van palatale fistels
- Kaakchirurgie
- Bijkomende correcties van de neus en de lip
Sluiting van de lip en eerste herstel van de neus
De ingreep
Rond de leeftijd van 4 tot 6 maanden ondergaat uw kindje een eerste operatie: de sluiting van de lip. De plastisch chirurg voert deze ingreep uit. De operatie gebeurt onder algemene verdoving en duurt ongeveer twee uur.
Na de ingreep
- Na de ingreep mag uw kindje opnieuw flesvoeding drinken. We verwijderen het infuus wanneer uw kindje goed drinkt en geen koorts heeft.
- Als alles goed verloopt kan uw kindje nog dezelfde dag of de dag na de ingreep terug naar huis. Het heeft dan nog hechtingen in de lip. Die verwijderen we één week na de lipsluiting tijdens een korte verdoving in het Chirurgisch dagziekenhuis.
Sluiting van het gehemelte
De ingreep
De plastisch chirurg sluit de spleet in het gehemelte tijdens een operatie op de leeftijd van 9 tot 18 maanden. In het UZ Gent worden het zachte en het harde gehemelte in één operatie gesloten. Ook de spieren van het zachte gehemelte worden dan hersteld (veloplastiek).
De dag van de operatie wordt uw kind 's morgens vroeg opgenomen in het Kinderziekenhuis. Meestal zijn maar één of twee overnachtingen nodig.
Na de ingreep
- De avond na de operatie mag uw kind enkel vloeistoffen drinken, zoals water of melk. De volgende dag starten we opnieuw met zachte voeding. Leer uw kind al uit een beker drinken voor de ingreep (voor zover dat mogelijk is). Dat helpt voor het herstel van het gehemelte. Pas een week na de operatie mag uw kind opnieuw fruitpap eten.
- Uw kind krijgt armspalkjes over de ellebogen om te voorkomen dat het vingers of voorwerpen in zijn mond steekt. Die spalkjes blijven doorgaans twee weken zitten.
- Tien dagen na de ingreep komt u op consultatie bij de chirurg. Nadien volgen we uw kind op tijdens de gezamenlijke raadplegingen van het Schisisteam.
Plaatsing van trommelvliesbuisjes
Waarom trommelvliesbuisjes?
Kinderen met een spleet in het gehemelte hebben vaker dan andere kinderen last van middenooraandoeningen. Trommelvliesbuisjes kunnen een oplossing zijn. Ze worden geplaatst om twee redenen:
- Bij langdurige of terugkerende episodes van vocht in het middenoor (secretoire otitis media of lijmoor).
- Bij terugkerende acute oorontstekingen (acute otitis media).
De trommelvliesbuisjes helpen om het aantal oorontstekingen te verminderen en het gehoor te verbeteren. Dat heeft een positieve invloed op het gedrag en de taal- en spraakontwikkeling van uw kind.
De ingreep
De ingreep gebeurt altijd onder algemene verdoving tijdens een dagopname in het Chirurgisch dagziekenhuis. Wanneer de plaatsing simultaan met een andere operatie gebeurt, moet uw kind soms langer in het ziekenhuis blijven.
Na de ingreep
- Let erop dat uw kind na de operatie een viertal dagen geen water in de oren krijgt. Daarna kan dat geen kwaad meer.
- Eén maand na de ingreep komt uw kind voor een controle naar de poli Neus-, keel- en oorziekten.
- Bij kinderen zonder schisis die regelmatig neus-, keel- of oorproblemen hebben kan het nuttig zijn om de neus- en keelamandelen weg te nemen. Bij kinderen met schisis helpen de amandelen vaak om de open neusspraak te verminderen en is het dus heel belangrijk om goed over zo’n ingreep na te denken. Neem daarom altijd eerst contact op met ons team.
Ingrepen om de spraak te verbeteren
Waarom deze ingrepen?
Om goed te kunnen spreken moet de opening tussen de mond- en neusholte goed afgesloten kunnen worden. Om goed te ademen mag deze opening dan weer niet te nauw zijn. De spieren in het gehemelte (velum) en de bovenste luchtweg (pharynx) zorgen voor een dynamische sluiting. Problemen bij de sluiting veroorzaken nasale resonantie en turbulentie bij het spreken. Daardoor zijn kinderen met schisis soms minder goed verstaanbaar. Met een medische term noemen we dit velopharyngeale insufficiëntie (VPI).
Een VPI kan ontstaan als het gehemelte, de wanden van de bovenste luchtwegen of beide minder goed functioneren. Dat is een gekende complicatie na het herstel van een gespleten gehemelte, al wordt die ingreep juist uitgevoerd om de spraak te normaliseren.
Onderzoeken
De logopedist stelt een VPI in eerste instantie vast door naar de spraak van het kind te luisteren. Om de exacte oorzaak te achterhalen doen de logopedist en de hoofd-halschirurg verder onderzoek. Dat bestaat uit een uitgebreide logopedische evaluatie en meting van nasale luchtemissie bij het spreken. Die onderzoeken zijn vaak pas mogelijk vanaf de leeftijd van 6 jaar. Nadien kunnen we de werking van de spieren in het gehemelte en de bovenste luchtweg meer in detail analyseren met een nasoendoscopie en een fluoroscopie.
- Bij een nasoendoscopie bekijkt de arts met een flexibele camera (endoscoop) via de neus hoe het gehemelte en de pharynx bij spraak functioneren. Uw kind blijft wakker tijdens deze procedure.
- Een fluoroscopie heeft hetzelfde doel maar dit onderzoek wordt uitgevoerd met röntgenstralen. Ook bij dit onderzoek blijft uw kind wakker.
Behandeling
De behandeling wordt bepaald op basis van de onderzoeksresultaten en de ernst van de spraakstoornis. Er bestaan twee opties: een niet-chirurgische behandeling met logopedie of een operatie.
Bij die operatie wordt de opening tussen de neus- en mondholte verkleind zonder daarbij de ademhaling beduidend te verstoren. Daardoor verbetert doorgaans de spraak. Er bestaan verschillende chirurgische technieken. Ze wijzigen de vorm en de functie van de pharynx, het gehemelte of beide. De oorzaak en vorm van de VPI en de ervaring van de chirurg bepalen welke techniek het meest geschikt is. De chirurg bespreekt vooraf met u en uw kind de voor- en nadelen van de ingreep.
Plaatsing van een alveolaire botent
Waarom deze ingreep?
Bij schisis van de bovenkaak (alveolaire schisis) is het bot in de tandenrij op één of twee plaatsen onderbroken, ongeveer ter hoogte van de hoektand. Die onderbreking(en) moet(en) gesloten worden om de definitieve hoektand(en) te laten doorbreken. De mond-, kaak- en aangezichtschirurg plaatst daarvoor een stukje bot (een botent). Deze ingreep noemen we een bottransplantatie of bot in gnatho (BIG)- procedure.
Wanneer vindt de ingreep plaats?
De timing van deze ingreep wordt bepaald door de ontwikkeling van de hoektand aan de kant van de schisis. De orthodontist en mond-, kaak- en aangezichtschirurg leggen het geschikte moment vast met behulp van beeldvorming van de kaken (een orthopantomogram of OPG). Meestal gebeurt de ingreep op de leeftijd van 7 tot 11 jaar.
De ingreep
De opening in de bovenkaak wordt opgevuld door bot te transplanteren dat uit de heupkam van het kind wordt weggenomen. De chirurg kan ook bot van de kin gebruiken. Tegelijk wordt ook het tandvlees hersteld. De mond-, kaak- en aangezichtschirurg voert deze ingreep uit onder algemene verdoving.
Meer weten?
Botent bij schisis (259.09 KB) "pdf"
Behandeling en evaluatie van palatale fistels
Wat is een palatale fistel?
We spreken van een palatale fistel wanneer er na het herstel in het gehemelte een verbinding blijft tussen de mond- en neusholte. Dat veroorzaakt spraak- en gehoorproblemen en zorgt ervoor dat eten kan terugstromen naar de mond.
De problemen zijn afhankelijk van de plaats en de grootte van de fistel. Niet elke fistel geeft moeilijkheden. Maar in ongeveer 10 procent van de gevallen blijft er een spleet na herstel van het gehemelte.
Onderzoek
Enkel palatale fistels die problemen geven moeten behandeld worden. Eerst zijn een goed klinisch onderzoek van het gehemelte en een logopedisch onderzoek nodig om te bepalen welke symptomen de fistel veroorzaakt. We kunnen deze onderzoeken uitvoeren vanaf de leeftijd van 5 à 7 jaar. Nadien bespreekt de arts de noodzaak, de voor- en nadelen, de techniek en de timing van het herstel.
Niet elke palatale fistel moet meteen worden behandeld. Soms blijft na het herstel van het gehemelte een kleine fistel achter die we pas later vaststellen, wanneer het gehemelte groeit en het kind goed kan meewerken bij klinisch en logopedisch onderzoek.
Behandeling
Er bestaan twee behandelingen:
- Niet-chirurgisch: uw kind krijgt een op maat gemaakt plaatje dat de fistel afsluit.
- Chirurgisch
De arts kiest de techniek die het meest geschikt is. Dat hangt af van de plaats en grootte van de fistel maar ook van eerdere operaties aan het gehemelte, de voorkeur en ervaring van de chirurg en de keuze van het kind en de ouders.
De kans dat na de operatie opnieuw een fistel ontstaat, is groot. Daarom zijn een grondig onderzoek, een goede timing en een weloverwogen keuze voor de beste techniek essentieel.
Kaakchirurgie
Ongelijke groei van de boven- en onderkaak kunnen we niet altijd met een beugel corrigeren. We roepen dan de hulp in van de mond-, kaak-, en aangezichtschirurg. Na de groei kan hij de kaken chirurgisch op elkaar aanpassen. Daar is dan wel een orthodontische voor- en nabehandeling voor nodig. Dit noemen we orthognatische chirurgie.
Bijkomende correcties van de neus en lip
De behandeling van schisis is laatste jaren sterk geëvolueerd. De functionele en esthetische resultaten worden steeds beter.
De plastisch chirurg streeft altijd naar een harmonieus herstel van de lip en de neus.
Toch blijven er ook na een goede schisisbehandeling nog vaak esthetische afwijkingen. Die kunnen het gevolg zijn van de schisis zelf, de groei van het gezicht, variatie in de littekenvorming en de ervaring van de chirurg en de gebruikte technieken.
Afwijkingen aan de lip
Ook na het herstel kunnen er nog secundaire afwijkingen zijn aan de lip, zoals de lengte en het volume van de bovenlip, een slechte overgang van lippenrood naar huid, onvoldoende herstel van de continuïteit van de lipspieren en verschillen in volume van het lippenrood tussen beide zijden van de lipspleet. Deze afwijkingen kunnen kort na het herstel van de lip optreden maar verdwijnen doorgaans na uitrijping en versoepeling van de littekens en de groei van het gelaat.
Secundaire afwijkingen van de lip kunnen ook chirurgisch gecorrigeerd worden. Bespreek de mogelijkheden met de plastisch chirurgen van het team. Sommige afwijkingen van de lip zijn een gevolg van de onderontwikkeling of slechte positie van de bovenkaak. In die gevallen kan de mond-, kaak- en aangezichtschirurg eventueel een corrigerende ingreep uitvoeren (orthognatische chirurgie).
Afwijkingen aan de neus
Al bij de eerste schisisoperatie, de lipsluiting, proberen we secundaire afwijkingen van de neus te voorkomen. Toch kunnen die afwijkingen in meerdere of mindere mate blijven bestaan als gevolg van de verkeerde positie van de verschillende structuren van de neus (neusvleugel, neustip en neustussenschot) en de onderontwikkeling van de neus en de ondersteunende bovenkaak. We kunnen deze afwijkingen chirurgisch verhelpen met een neuscorrectie (rhinoplastie).
Een rhinoplastie kan pas uitgevoerd worden na de beëindiging van een eventuele orthognatische behandeling. De bovenkaak is immers de fundering van de neus. Elke aanpassing aan de bovenkaak kan de positie en de vorm van de neus beïnvloeden. We wachten ook het best met een neuscorrectie tot het gelaat volgroeid is (na de puberteit) omdat een rhinoplastie op jongere leeftijd de verdere groei van de neus kan beïnvloeden.