Er zijn verschillende behandelingen mogelijk. De keuze hangt af van de plaats waar het probleem met de hersenvochtcirculatie zich voordoet. De behandelingen zijn weinig invasief. In principe moet je kind maar één nacht in het ziekenhuis blijven.
Endoscopie
Een obstructie van de flow op de weg naar de ruimte rond de hersenen kunnen we vaak oplossen met een endoscopische ingreep.
De chirurg schuift een fijne buis met een camera tot in de hersenkamers. Via deze weg maakt hij een opening waarlangs het hersenvocht de obstructie kan overbruggen.
Een typisch voorbeeld is een obstructie van de Aquaeduct. Dat is een fijn kanaaltje tussen de derde en vierde hersenkamer. Soms is het kanaaltje niet goed aangelegd of wordt het dichtgedrukt door bijvoorbeeld een gezwel. De chirurg maakt dan een opening in de bodem van de derde hersenkamer, waar alleen een dun vliesje zonder functie de kamer van de ruimte rond de hersenen scheidt. Deze ingreep noemen we een derde ventriculostomie.
Shunt
De chirurg legt een shunt aan als er een probleem is met de opname van het hersenvocht of als een endoscopische procedure niet mogelijk of aangewezen is.
Een shunt is een buisjessysteem dat het hersenvocht vanuit een hersenkamer over een klep naar een andere lichaamsholte brengt. Daar wordt het vocht opgenomen in de bloedbaan en afgevoerd.
Types
In de meest gevallen wordt het hersenvocht naar de buikholte (peritoneaalholte) gevoerd. We spreken dan van een ventriculo-peritoneale shunt. Om het systeem aan te leggen maakt de chirurg sneetjes in de hoofdhuid net achter de haarlijn, achter het oor en in de buik.
Als het niet mogelijk of aangewezen is om een shunt naar de buikholte te leiden, wordt het hersenvocht soms afgevoerd naar de rechter hartkamer (atrium) via een ventriculo-atriale shunt.
Klep
Een shuntsysteem bevat een klep die ervoor zorgt dat het hersenvocht maar in één richting kan bewegen. Verder geeft de klep ook een zekere tegendruk om te voorkomen dat de shunt te veel hersenvocht afvoert en de druk in de schedel te laag wordt.
Er bestaan vele soorten kleppen. Wij gebruiken altijd het regelbare type zodat we de openingsdruk nog kunnen aanpassen na de ingreep. Dat gebeurt met een magneet die op de huid wordt geplaatst. Zo zorgen we ervoor dat de shunt niet te weinig maar ook niet te veel werkt.
Mogelijke complicaties en aandachtspunten
Endoscopische procedures en shuntprocedures voor hydrocephalie hebben een laag risico op complicaties. Mogelijke complicaties na de procedure zijn materiaal dat niet op de best mogelijke plaats zit, bloeding, infectie en schade, bv. aan een darm in de buikholte.
Over- en onderdrainage
Symptomen van een shunt die te veel of te weinig werkt zijn hoofdpijn, misselijkheid of braken en duizeligheid. De houding waarin de symptomen opkomen, is een belangrijke parameter om te achterhalen of er sprake is van over- of onderdrainage. Dat komt door het sifoneffect: in zittende of staande houding heeft de waterkolom tussen het hersenventrikel en de buik of rechter hartkamer een zuigend effect onder invloed van de zwaartekracht. Hierdoor is er meer drainage van hersenvocht als de hersenkamers zich boven het niveau van de buik of rechter hartkamer bevinden. Je kan dit vergelijken met twee emmers die op verschillende hoogte door een waterkolom worden verbonden.
- Bij onderdrainage heb je meer klachten in liggende houding, vaak ‘s ochtends voor het opstaan.
- Bij overdrainage is het net andersom. De klachten komen op wanneer je zit of staat en verdwijnen weer wanneer je volledig platligt.
Bij een goed werkende shunt behandelen we over- of onderdrainage door de openingsdruk van de klep te wijzigen. Soms moeten we verschillende standen uitproberen voor we de beste vinden.
Werking van de klep
Als je altijd last hebt van onderdrainage als je neerligt of van overdrainage als je zit of staat, is soms een nieuwe chirurgische ingreep nodig. De chirurg voegt dan een hulpstukje met antisifonwerking aan het systeem toe. Er bestaan verschillende types.
Antisifonwerking
Als de shunt niet meer werkt door verstopping of omdat hij is losgekomen, doet zich uiteraard onderdrainage voor. De chirurg moet de werking van de shunt dan herstellen tijdens een ingreep.
Leven met een shunt
Een shunt heeft weinig impact op het dagelijks leven. Je mag sporten, vliegen en in principe zelfs duiken. Vraag voor dat laatste wel het advies van je arts.
Soms kan je het shuntsysteem zien, vooral als het op bot ligt, bv. op de schedel of ter hoogte van het sleutelbeen.
In principe gaat een shunt levenslang mee. Soms doen zich wel problemen voor. Bij een kind in volle groei kan de shunt te kort worden. Het systeem kan ook verstopt raken door weefselpropjes of eiwitneerslag. In dat geval kan het nodig zijn om de shunt na te kijken tijdens een ingreep en indien nodig een stukje te vervangen.
Soms is een shunt na een tijdje niet meer nodig. We kunnen die dan eventueel verwijderen.
Magnetische velden en MRI
Afhankelijk van het type klep, moet je uitkijken in de buurt van magnetische velden.
Je mag met alle hydrocephaliekleppen een MRI-scan ondergaan, maar sommige kleppen zijn niet MRI-stabiel. Dat wil zeggen dat de ingestelde openingsdruk kan veranderen onder invloed van het magnetisch veld. Na een MRI-scan controleren we daarom de stand van deze kleppen met een RX-foto van de schedel. Als de programmatie van de klep gewijzigd blijkt, programmeert de neurochirurg die opnieuw op de correcte stand.
Metaaldetectoren (bv. op luchthavens) zijn veilig. Het magnetisch veld is niet sterk genoeg om de klepprogrammatie veranderen.