Monitors
Je kindje heeft drie witte pleisters op zijn borst en buik en een rood lichtje aan zijn voet. Die sensoren zijn via een kabel verbonden met een monitor en meten zijn hartslag, ademhaling, zuurstofniveau en bloeddruk.
Soms gaat een alarm af, maar dat wil niet noodzakelijk zeggen dat er iets mis is. De zorgverleners kennen de alarmen en weten wanneer ze moeten ingrijpen.
Ademhalingsondersteuning
Premature of zieke baby’s hebben soms moeite met ademen omdat hun longen nog onvoldoende ontwikkeld zijn of niet zo goed werken, bijvoorbeeld door een infectie. Er bestaan verschillende technieken om de ademhaling te ondersteunen:
- Neusbril: via twee korte buisjes in de neus wordt continu lucht geblazen, soms in combinatie met zuurstof. Je baby ademt zelf.
- CPAP (Continuous Positive Airway Pressure): via een masker over de neus of twee korte buisjes in de neus krijgt je baby continu lucht. Dat zorgt voor druk in de longen en voorkomt dat ze bij het uitademen helemaal samenvallen. Je baby ademt makkelijker zelfstandig omdat hij minder moeite moet doen om de longen volledig open te krijgen bij het inademen.
- Beademing: we plaatsen via de neus of de mond een buisje in de luchtpijp als je baby meer ademhalingsondersteuning nodig heeft. Het beademingstoestel zorgt voor de ademhaling, maar de baby kan ook zelf mee ademen.
Medisch materiaal
- Infuus: via het infuus dienen we heel precieze hoeveelheden vocht, voedingsstoffen (eiwitten, suikers, vetten) en medicatie toe, rechtstreeks in de bloedbaan .
- Maagsonde: baby’s die te vroeg geboren werden of te ziek zijn om zelf te drinken, krijgen een maagsonde. Het buisje komt via de neus of mond uit in de maag en wordt gebruikt om je baby (moeder)melk te geven. Ook als flesvoeding nog te veel energie vraagt, kunnen we een maagsonde plaatsen.
- Fototherapie: baby’s die geel zijn stellen we bloot aan speciaal blauw licht dat het te veel aan bilirubine - de stof die geelzucht veroorzaakt - sneller afbreekt. Voor zijn comfort beschermen we de ogen van je baby met een brilletje.
- Via katheters dienen we medicatie, vocht, vloeibare voeding, enz. toe, rechtstreeks in de bloedbaan. Er bestaan verschillende types:
- Perifeer infuus: deze katheter krijgen de meeste baby’s bij opname. Het is een kort buisje in een klein bloedvat in een van de ledematen.
- Centraal infuus: deze katheter zit in een groot bloedvat, via de navel, hals of lies. Een longline is een centraal infuus dat via een oppervlakkig bloedvat wordt geplaatst en opgeschoven tot net voor het hart. De katheter blijft zitten tot de baby geen infuus meer nodig heeft en al zijn energie uit voeding kan halen.
- Arteriële katheter: deze katheter zit in een slagader en wordt via de navel, pols of enkelgeplaatst. Via de katheter meten we voortdurend de bloeddruk en kunnen we bloedafnames doen.
- Blaassonde: een blaassonde plaatsen we na een operatie, bij verdoving of pijnstilling, om de hoeveelheid urine te meten, enz.
Meer lezen
Te Vroeg: woordenboek met termen over neonatale intensieve zorg