ECMO staat voor extracorporele membraanoxygenatie. Bij sommige patiënten op Intensieve zorg is de long- en/of hartfunctie zo zwaar aangetast dat een beademingsmachine en hartondersteunende medicatie onvoldoende ondersteuning bieden en er nood is aan ECMO. De aantasting kan het gevolg zijn van o.a. ernstig hartfalen, ernstige bacteriële of virale infecties, longproblemen na een operatie of longontstekingen door verslikken.
Het ECMO-toestel neemt dan de functie van de longen of het hart over. Het systeem wordt daarom ook hart-longmachine genoemd. Er kunnen twee types worden ingezet, afhankelijk van welk orgaan meer ondersteuning nodig heeft: VA-ECMO en VV-ECMO.
VA-ECMO
Venoarteriële ECMO of VA-ECMO wordt gebruikt bij hartfalen met of zonder longfalen.
Het bloed stroomt dan uit een grote ader door een canule (holle buis) via een pomp naar de kunstlong, waar zuurstof wordt toegediend. Het zuurstofrijke bloed komt vervolgens langs een andere canule terug in het lichaam, in een grote slagader. Zo neemt het ECMO-toestel de long- en de hartfunctie over. Dat geeft die organen de tijd om tot rust te komen en zich, met de hulp van medicatie, te herstellen.
VV-ECMO
Venoveneuze ECMO of VV-ECMO wordt gebruikt als de longen niet in staat zijn om voldoende zuurstof op te nemen of koolstofdioxide uit te scheiden, ondanks maximale beademing. Ook bij dit type ECMO wordt bloed uit een grote ader door een canule naar een kunstlong gepompt, waar het van zuurstof wordt voorzien. Anders dan bij VA-ECMO leidt het toestel het bloed nadien terug naar een grote ader. Het hart van de patiënt moet dus normaal werken om het zuurstofrijke bloed door de longen en de rest van het lichaam te pompen. De longfunctie wordt overgenomen tot de longen voldoende hersteld zijn om zelf voor voldoende zuurstof te zorgen.