Het verloop van de bevalling

Het normale verloop

Zodra u volledige ontsluiting hebt, is de ontsluitingsfase voorbij. Dan begint de tweede fase van de bevalling: de uitdrijvingsfase. Uw baby daalt in het bekken in, door de voortstuwende kracht van de weeën en door uw eigen perskracht als u begint te persen. Bij de doortocht door het kleine bekken past het hoofd van uw baby zich aan uw bekken aan.

Als u geen ruggenprik hebt gekregen, kunt u een onbedwingbare drang voelen om te persen, soms zelfs al vóór u volledige ontsluiting hebt. Hebt u wel een verdoving, dan kunt u misschien pas een drukgevoel ervaren op het moment dat het hoofdje al een stuk lager zit.

Het is niet zo dat u altijd moet beginnen te persen zodra de ontsluiting volledig is. Soms moet de baby nog wat draaien, of zit het hoofdje nog heel hoog. In dat geval kunt u beter nog een tijdje afwachten. In elk geval zal de arts of vroedvrouw u duidelijk zeggen wanneer u mag beginnen te persen. U hoeft niet per se op voorhand te weten hoe u dat moet doen. De vroedvrouw en de arts leggen u haarfijn uit wat u precies moet doen en helpen en corrigeren u waar nodig.

De houding waarin u graag wilt bevallen, kunt u op voorhand bespreken met uw gynaecoloog. Ook de vroedvrouw die u bij de bevalling begeleidt, staat open voor uw eventuele specifieke wensen.

In de meeste gevallen wordt de baby geboren met het gezichtje naar de rug van de moeder gekeerd. Soms wordt de baby met het aangezicht naar de buik van de moeder geboren (een 'sterrenkijkertje'). Dat kan er voor zorgen dat ontsluiting of de uitdrijving wat langer duurt.

In sommige gevallen zal de arts of vroedvrouw beslissen om een knip (episiotomie) te plaatsen. Dat is soms nodig om de geboorte van de baby te versnellen of omdat er een scheur dreigt op te treden.

Nadat het hoofdje verschenen is, zal de arts of de vroedvrouw kijken of de navelstreng rond de hals van de baby moet worden verwijderd. Dat is geen reden tot ongerustheid en komt bij een bevalling heel vaak voor.

Luister goed naar de aanwijzingen van de arts en vroedvrouw. Ze zullen u duidelijk zeggen wanneer u even moet stoppen met persen en wanneer u opnieuw mag beginnen.

Na de geboorte van het hoofdje en het eventuele verwijderen van de navelstreng verloopt de verdere geboorte heel snel: eerst komen de schoudertjes, daarna de hele baby.

In de folder Opname op de materniteit leest u meer over:

  • wat onmiddellijk na de bevalling gebeurt
  • de nageboorte
  • de badbevalling.

De kunstverlossing

In bepaalde gevallen kan de gynaecoloog beslissen om u te helpen bij de geboorte van uw baby. Dat kan nodig zijn om de geboorte te versnellen of omdat u al enige tijd aan het persen bent met weinig vooruitgang.

Meestal wordt een zuignap (ventouse) gebruikt die op het hoofdje van de baby wordt geplaatst. In bepaalde gevallen maakt de gynaecoloog gebruik van een forceps (verlostang, vroeger ook wel 'de lepels' genoemd). Zowel de zuignap als de forceps kunt u als onaangenaam ervaren, zelfs met een epidurale verdoving.

Met een zuignap of een forceps wordt de weg die de baby moet volgen mee begeleid, maar u blijft de voortstuwende kracht leveren. U moet dus zeker even intensief blijven meepersen.

Bij elke kunstverlossing staat de kinderarts klaar voor de eerste opvang van uw baby.

 

De inhoud van deze pagina werd samengesteld door de betrokken dienst(en). Laatste update: 8-4-2019 14:00.