Urinaire incontinentie bij kinderen

Kinderen met urinaire incontinentie verliezen onvrijwillig urine. Dat urineverlies kan continu of met tussenpozen optreden. Gebeurt het tijdens de slaap, dan spreken we van bedplassen of enuresis. Gebeurt het overdag, dan noemen we dat incontinentia diurna.

Hoe vaak komt het voor?

  • Ongeveer 2 tot 4 procent van de kinderen met een normale ontwikkeling heeft op de leeftijd van 7 jaar nog last van urinaire incontinentie overdag. Bedplassen komt in die leeftijdsgroep tussen de 5 en 10 procent voor.
  • Bij kinderen met een mentale of motorische ontwikkelingsstoornis komt incontinentie veel vaker voor: 23 tot 86 procent, afhankelijk van de ernst van de ontwikkelingsstoornis.
  • Kinderen met een ernstig neurogeen lijden, zoals patiëntjes met spina bifida, hebben bijna allemaal problemen met urinaire incontinentie.

Wat zijn de oorzaken?

Kinderen met anatomische of neurogene afwijkingen

Urineverlies kan veroorzaakt worden door een anatomische afwijking. De afwijking kan aangeboren zijn, bv. een ectope urineleider. Ze kan ook verworven zijn, bv. schade aan de sluitspier na een ingreep. In die gevallen gaat het meestal om continu urineverlies.

Ook afwijkingen van het zenuwstelsel kunnen tot urineverlies leiden, bv. bij kinderen die geboren worden met spina bifida. Ook kinderen met cerebral palsy en kinderen die chirurgie aan het ruggenmerg ondergingen, kunnen last hebben van urinaire incontinentie.

Kinderen met een normale ontwikkeling

De meeste kinderen die last hebben van urineverlies, hebben geen anatomisch of neurogeen probleem. Zij zijn volkomen normaal ontwikkeld, maar hebben een stoornis van de blaasvulling, blaaslediging of een combinatie van beide.

  • De belangrijkste oorzaak is overactiviteit van de blaasspier. De blaas trekt dan al tijdens de vullingsfase samen. Dat leidt tot verhoogde aandrang, frequent plassen en in sommige gevallen tot urineverlies.
  • Ook een verstoorde ledigingsfase, de zogenaamde disfunctionele plas, kan plasproblemen en urineverlies veroorzaken. De sluitspier en bekkenbodem zijn dan tijdens het plassen niet volledig ontspannen en trekken zich in sommige gevallen zelfs actief samen. Dat vertaalt zich in een onderbroken manier van plassen.
  • Sommige kinderen, vooral meisjes, ontwikkelen door extreem uitstelgedrag – minder dan drie keer per dag plassen – een onderactieve blaasspier. Ze moeten daardoor heel vaak persen om te plassen en plassen vaak niet leeg. Dat leidt niet alleen tot urinaire incontinentie, maar ook tot urineweginfecties.
  • Ook uitstelgedrag, vaginale mictie, obstructie van de plasbuis en giechelincontinentie kunnen tot onvrijwillig urineverlies bij kinderen leiden.

Kinderen die bedplassen

Bij enuresis (bedplassen) onderscheiden we twee vormen. Kinderen met de monosymptomatische vorm hebben alleen gedurende de slaap last van plasklachten. Kinderen met de niet-monosymptomatische vorm hebben ook overdag last van urinaire klachten.

Ongeveer 25 procent van de kinderen met de monosymptomatische vorm kampt met een te hoge nachtelijke urineproductie. Ook overactiviteit van de blaasspier, slaapstoornissen of een combinatie hiervan kunnen leiden tot urineverlies tijdens de slaap.

Zowel voor urinaire incontinentie overdag als voor bedplassen bestaat een familiale voorbeschiktheid.

Welke problemen gaan vaak samen met urinaire incontinentie?

Constipatie en stoelgangincontinentie komen vaak samen voor met urinaire incontinentie. Als dat het geval is, moeten we beide problemen medisch behandelen om tot een oplossing te komen.

We zien vaak psychische en sociale problemen bij kinderen met urinaire incontinentie. Er werd ook een verband gevonden tussen enerzijds ADHD, ADD en autisme en anderzijds bedplassen.

Vanaf wanneer wordt urineverlies een probleem?

Kinderen met een normale ontwikkeling

  • Urinaire incontinentie overdag wordt als een probleem gezien vanaf de leeftijd van 4-5 jaar.
  • Bedplassen wordt als problematisch beschouwd vanaf de leeftijd van 6-7 jaar.

Kinderen met een ontwikkelingsstoornis of letsel van het zenuwstel

Bij kinderen met een complexe problematiek wordt urinaire incontinentie vaak als een minder belangrijk probleem gezien. Niets is minder waar. Een behandeling kan de zelfredzaamheid en het comfort van de kinderen aanzienlijk verbeteren.

  • Bij kinderen met een ontwikkelingsstoornis bepaalt niet de leeftijd, maar wel de mentale en motorische capaciteit het moment waarop de medische behandeling tegen urinaire incontinentie start.
  • Kinderen met een letsel van het zenuwstelsel dat impact heeft op het urogenitaal stelsel, moeten van bij de geboorte worden behandeld.

Welke onderzoeken zijn nodig?

In kaart brengen

De belangrijkste instrumenten om het probleem van urinaire incontinentie in kaart te brengen, zijn een plas- en stoelgangkalender, een drankkalender en een meting van de nachtelijke urineproductie. Zo krijgen we een duidelijk beeld over het drinkgedrag, de plasfrequentie, de grootte van de plasjes, de hoeveelheid urine die tijdens de slaap wordt geproduceerd en de frequentie van het nat zijn.

Klinisch onderzoek

Ook een gericht klinisch onderzoek door een kinderuroloog is belangrijk voor de diagnostische uitwerking.

Met een uroflowmetrie, een debietmeting van de plas, beoordelen we het plaspatroon. Meestal voeren we die samen uit met een echografie van de blaas en nieren. Zo sporen we anatomische afwijkingen op en zien we ook of het patiëntje in staat is om leeg te plassen.

We voeren ook een urineonderzoek uit.

Video-urodynamisch onderzoek

Een video-urodynamisch onderzoek is aangewezen bij:

  • kinderen met urinaire incontinentie door neurogeen lijden
  • kinderen met een normale ontwikkeling die ondanks een behandeling last blijven hebben van urinaire incontinentie

Tijdens dit invasief onderzoek wordt de druk in de blaas ter hoogte van de sluitspier gemeten, zowel tijdens de vullingsfase als tijdens de ledigingsfase. Samen met röntgenopnames tijdens het plassen, geeft dit onderzoek een behoorlijk compleet beeld van de blaasfunctie.

Kijkoperatie

In zeldzame gevallen, bij een sterk vermoeden van een obstructie ter hoogte van de plasbuis, kan een kijkoperatie – een urethrocystoscopie - aangewezen zijn.

Hoe wordt urinaire incontinentie behandeld bij kinderen met een normale ontwikkeling?

De behandeling van urinaire incontinentie vergt veel inzet, motivatie en tijd van ouders en kinderen.

Urotherapie

Urotherapie is de basisbehandeling van urinaire incontinentie als die geen neurogene oorzaak kent. Daarvoor kunnen kinderen terecht op de plaspoli.

Urotherapie is een combinatie van een cognitieve, gedrags- en fysieke training. Tijdens de training leggen we urinaire incontinentie op kindermaat uit om kinderen inzicht te geven in hun probleem. We leren hen ook om de juiste hoeveelheid te drinken en de juiste drank te kiezen. We geven hen voedingsadvies mee en brengen hen een juiste toilethouding en –hygiëne bij.

In sommige gevallen combineren we de therapie met bekkenbodemkinesitherapie en biofeedback. Het doel is om onbelemmerd te kunnen plassen door de sluitspier en bekkenbodem optimaal te ontspannen.

Aanvullende of alternatieve therapieën

  • Als urotherapie niet volstaat, kan aanvullende medicatie aangewezen zijn. Meestal gaat het om een anticholinergica, een geneesmiddel dat de overactiviteit van de detrusor – het gladde spierweefsel van de blaas – onderdrukt.
  • Als de behandeling met geneesmiddelen niet aanslaat of moet worden gestopt door bijwerkingen, kan neurostimulatie worden gebruikt.
  • Als de gangbare therapie niet helpt, overwegen we een injectie met botuline toxine (Botox®) in de blaas. Die therapie levert behoorlijke resultaten op, maar is nog off-label bij kinderen. Dat betekent dat het geneesmiddel nog niet werd geregistreerd voor deze therapie.
  • Bij kinderen met monosymptomatische enuresis die ’s nachts een te hoge urineproductie hebben (nachtelijke polyurie), is een behandeling met desmopressine de eerste keuze. Is er geen nachtelijke polyurie en heeft het kind voldoende blaascapaciteit, dan is een behandeling met de plaswekker de gouden standaard. Soms is een combinatietherapie aangewezen.
  • Bij kinderen met niet-monosymptomatische enuresis pakken we eerst de blaasproblemen aan voor we de nachtelijke problematiek behandelen.
  • Als kinderen ook constipatie of stoelgangincontinentie hebben, moet dat probleem mee medisch behandeld worden.
  • In geval van een belangrijke psychologische problematiek – als oorzaak of gevolg van de incontinentie – is opvolging door een kinderpsycholoog noodzakelijk.

Hoe wordt het behandeld bij kinderen met een neurogene afwijking?

De aanpak en de behandeling van kinderen met een neurogene blaas zijn veel complexer. De kinderen moeten heel strikt opgevolgd worden, bij voorkeur in het kader van multidisciplinaire medische conventies.

Bij de meeste kinderen met een neurogene blaas is er sprake van een uitgesproken overactiviteit van de blaasspier en een duidelijke disfunctie van de sluitspier. Dat is niet alleen een probleem voor urinaire incontinentie. Door de hoge druk die in de blaas ontstaat, komen ook de hogere urinewegen – meer bepaald de nieren – in het gedrang. Als de opstijgende urineweginfecties en het hogedruksysteem niet behandeld worden, kunnen ze de nierfunctie aantasten en uiteindelijk tot nierinsufficiëntie leiden.

Daarom is het van essentieel belang dat deze kinderen van bij de geboorte behandeld worden met medicatie – anticholinergica – en met regelmatige sondage. Zo kunnen we in veel gevallen voorkomen dat de blaas- en nierfunctie achteruitgaan.

In sommige gevallen volstaat de conventionele therapie niet. Dan moeten worden gekozen voor een meer invasieve chirurgische behandeling: blaasaugmentatie, blaashalschirurgie, het aanleggen van continente, sondeerbare stoma's.

De inhoud van deze pagina werd samengesteld door de betrokken dienst(en). Laatste update: 11-9-2019 16:02.

Afspraak maken

09 332 22 76

Locatie

Ingang 71

Verdieping 0