Onderzoek
1. AHRI studie Ouderdomsslechthorendheid (OSH) is een complexe aandoening, die beïnvloed wordt door omgevings- en genetische factoren. Hoewel deze factoren hetzelfde aandeel hebben bij de ontwikkeling van OSH, zijn er tot op heden nog geen genen gevonden die betrokken zijn bij OSH. Over de omgevingsfactoren is al meer geweten. Tot op heden is weinig onderzoek uitgevoerd over OSH. De ARHI-studie, gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, wil hier verandering in brengen. Het doel van de studie is om via een gerichte vragenlijst, klinisch onderzoek, en DNA- en gehooronderzoek gegevens te verzamelen om op die manier een beter inzicht te verwerven in OSH en de oorzaken ervan. Daarom nodigen wij alle personen tussen 55 en 65 jaar – zowel personen met een goed als met een minder goed gehoor – uit om mee te werken aan deze studie.
Als u meer informatie wenst of geïnteresseerd bent om deel te nemen, kunt u terecht op de poliklinische NKO Dienst. 2. Binauraal horen bij kinderen met twee cochleaire implantaten In 2003 heeft het RIZIV een tweede cochleair implantaat gefinancierd voor 42 Belgische kinderen tussen 2 en 12 jaar. Dit onderzoek, ontstaan uit een samenwerkingsverband tussen verschillende Vlaamse universiteiten en de Université Catholique de Louvain (UCL) en gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, heeft als doel beter inzicht te verschaffen in de mate waarin jonge cochleair geïmplanteerde kinderen gebruik kunnen maken van binaurale kenmerken om beter spraak in ruis te verstaan en richting te bepalen.
3. Lawaai Recent wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat lawaaislechthorendheid toeneemt. De oorzaken van deze stijging zijn gebrekkige controle van gehoorbeschermers, foutieve wetgeving en verkeerd beleid op het vlak van gehoormetingen. Samen met de Universiteit van Leiden hebben we een onderzoek gestart om een model (HearingCoach) te ontwikkelen dat de bescherming van iedere werknemer in de industrie garandeert. Lawaai- en ouderdomsslechthorendheid worden veroorzaakt door schade ter hoogte van het binnenoor. Bijgevolg is het van belang deze effecten via een gevoelige techniek, namelijk otoakoestische emissies, op te sporen. Lawaaiblootstelling kan plaatsvinden door professionele activiteiten (industrie, muzikanten,…), maar recentelijk gaat ook meer aandacht uit naar de schadelijke effecten van recreatieve activiteiten (discotheken, gebruik van mp3-spelers,…). Het doel van het onderzoek is het gebruik van de nieuwe onderzoekstechniek te optimaliseren voor de detectie van lawaaislechthorendheid ten gevolge van professionele en recreatieve activiteiten. Voor meer informatie: hannah.keppler@UGent.be
4. Gehoorbescherming Verschillende studies hebben aangetoond dat scherpe geluiden schade toebrengen aan het gehoor. Deze beschadiging kan nog niet via medicijnen behandeld worden. Daarom is preventie een absolute must, bijvoorbeeld door het dragen van gehoorbeschermers. Het is essentieel dat de gehoorbeschermers het geluid precies genoeg dempen. Om dit snel en efficiënt na te gaan bij iedere gebruiker, leggen we ons toe op de ontwikkeling van een alternatieve techniek: Measurement In Real Ear (MIRE).
Voor meer informatie kunt u terecht bij Annelies Bockstael (annelies.bockstael@UGent.be). 5. Auditory Steady-State Response (ASSR) techniek Sinds 1998 ondergaan alle baby’s gedurende de eerste levensweken (tussen 2 en 6 weken) een gehoortest (ALGO genaamd) die uitgevoerd wordt door Kind en Gezin (link maken). Als na 2 keer testen deze gehoortest niet goed is, zal de baby doorverwezen worden naar centra gespecialiseerd in gehoorproblemen bij heel jonge kinderen. Om voor de leeftijd van 6 maanden met gepaste therapie te kunnen starten (hoorapparaat, cochleair implantaat, begeleiding van ouders en kind, …) moeten we beschikken over de gehoordrempels van het kind. De gehoortest die bij oudere kinderen en volwassenen wordt uitgevoerd (de klassieke test waarbij de persoon een hand opsteekt bij het horen van een pieptoon), is uiterst geschikt om gehoorverlies in kaart te brengen maar is uiteraard onuitvoerbaar bij deze jonge kinderen.
Voor kinderen jonger dan 6 maanden gebruiken we objectieve testen, want hierbij hoeft het kind zelf geen bewuste reactie te geven. De ALGO test is zo’n objectieve test waarbij de gehoorzenuw reageert in reactie op geluid. Deze reactie kan opgevangen worden met behulp van elektroden op het hoofd. De ALGO test is echter een vrij ruwe test en geeft geen nauwkeurige informatie over het gehoorverlies. De ASSR-techniek is een nieuwe techniek (nauw verwant met de ALGO) die eventueel wel in staat is om te voorzien in de nodige informatie over het gehoor. Deze techniek is echter nog experimenteel en momenteel zijn wij aan het onderzoeken of deze test de gehoordrempels van volwassenen met en zonder gehoorverlies nauwkeurig kan voorspellen. Op basis van deze resultaten zal beslist worden of deze techniek al dan niet zal toegepast worden op baby’s. Hiervoor zoeken we nog volwassenen met een gehoorverlies tussen de leeftijd van 18 en 70 jaar. Voor meer informatie kan U contact opnemen met Wendy D’haenens op het nummer 09/332.59.63 of via e-mail: wendy.dhaenens@ugent.be 6. Evenwichtsonderzoek via rotatietesten, calorisch onderzoek en VEMPs Evenwichtsklachten vormen een vaak voorkomend probleem waarvan de oorzaak niet altijd achterhaald kan worden. Het evenwichtsonderzoek op onze dienst werd recentelijk uitgebreid met nieuwe apparatuur en technieken, waardoor we beter op zoek kunnen gaan naar de oorzaak van uw duizeligheid.
Ons evenwichtsorgaan bestaat uit 5 onderdelen, en via een speciale draaistoel, aangevuld met een calorisch onderzoek (waarbij water in de oren wordt gespoten) kunnen we heel wat informatie verzamelen over één van die vijf onderdelen. Tijdens het VEMP onderzoek wordt een extra onderdeel van ons evenwichtsorgaan geprikkeld door korte klikgeluidjes die via dopjes in de oren worden gebracht. Het antwoord hierop wordt opgemeten middels een spier in de nek. Via al deze onderzoeken hopen wij de oorzaak van uw klachten beter te kunnen opsporen en te behelpen. Voor meer informatie kunt u terecht bij Leen Maes op het nummer 09/332.40.66 of via e-mail: LeenK.Maes@UGent.be 7. Audiologische en genetische karakterisatie van gehoorverlies bij Osteogenesis Imperfecta Osteogenesis Imperfecta (OI) is een erfelijke bindweefselaandoening die veroorzaakt wordt door mutaties in de genen die coderen voor collageen type I, een belangrijk structuureiwit in ons lichaam. De ziekte wordt gekenmerkt door een aantal typische symptomen, zoals botafwijkingen, tandafwijkingen en blauwe sclera. Daarnaast is ook slechthorendheid een frequent voorkomend fenomeen. Deze vorm van gehoorverlies is tot op heden nog onvoldoende gekarakteriseerd wat betreft ontstaan, evolutie, aard, ernst, configuratie, aanvangsleeftijd en symmetrie. Bovendien is het niet duidelijk waarom afwijkingen in collageen type I leiden tot slechthorendheid. Gehoortesten bij een grote groep patiënten met OI moeten een gedetailleerde beschrijving van dit gehoorverlies opleveren. Daarna zal bij iedere geïncludeerde OI-patiënt de correlatie tussen de kenmerken van het gehoorverlies en de onderliggende erfelijke genmutatie bestudeerd worden en zullen eventuele invloeden van omgeving en andere genetische kenmerken in kaart gebracht worden. Het doel hiervan is een beter inzicht in de karakteristieken en het pathogenetisch mechanisme van slechthorendheid bij OI. Voor meer informatie kunt u terecht bij Freya Swinnen (freya.swinnen@UGent.be). 8. Cochleaire implantaten
Cochleaire implantaten (CI’s) voorzien een aanzienlijk deel van de gebruikers van een goede spraakperceptie in gunstige luisteromstandigheden. Sinds de invoering van multikanaals cochleaire implantaten verwachten veel gebruikers echter meer dan alleen goede spraakperceptie. Telefoneren, converseren in grote groep, vergaderingen bijwonen en muziek beluisteren worden vaak geopperd als te behalen doelen. Uit onderzoek blijkt echter dat er tussen de CI-gebruikers een grote variatie bestaat in spraakperceptie. Om de geobserveerde verschillen in spraakperceptie te doorgronden, is inzicht in het relatieve belang van de verschillende cues met betrekking tot de parameters van een akoestisch signaal noodzakelijk. Voor de spatiale representatie van het akoestisch signaal zijn multikanaals cochleaire implantaten tot op zekere hoogte in staat de tonotopische organisatie van de cochlea te bewaren. Bovendien blijkt een betere elektrodediscriminatie te correleren met een betere spraakperceptie. Een manier om de discriminatie op niveau van de verschillende elektrodes te evalueren, is gebruik te maken van het meten van de longitudinale perifere ‘spread of excitation’ (SOE) van de elektrisch geëvoceerde neurale excitatie. In deze studie wordt nagegaan in welke elektrische signalen spraak wordt omgezet, en hoe CI-gebruikers deze klanken horen. Voor meer informatie: Birgit.Philips@ugent.be
|