Navigatie overslaan.
NL | EN
toon de tekst in de standaard lettergrootte toon de tekst in een grotere lettergrootte toon de tekst in de grootste lettergrootte
print huidige pagina

Longziekten - Gentse Universitaire Slaapkliniek


De Gentse Universitaire Slaapkliniek is een initiatief van verschillende diensten binnen het ziekenhuis die zich engageren om in multidisciplinair verband stoornissen van de slaap en van de alertheid tijdens de dag te diagnosticeren en te behandelen. Binnen het zorgplan slaapgeneeskunde worden de volgende zorgpaden aangeboden:
Zorgpad pathologische vermoeidheid, dienst Algemene Inwendige Ziekten, Infectieziekten en Psychosomatiek
Zorgpad snurken en slaapapnoe, diensten Longziekten,  Neus-, Keel- en Oorheelkunde,  Tand-, Mond- en Kaakziekten


Contact Info


Slaaplaboratorium
Kliniekgebouw 12, 10de verdieping, vleugel IB
Tel. 09/332 47 21 of  09/332 47 23

 

Raadplegingen

 

* Dienst Longziekten


Dr. K. Hertegonne, coordinator
Dr. F. Bauters
Kliniekgebouw 12, 7de verdieping, vleugel IE
Tel. 09/332 26 27 of 09/332 26 00

 

* Dienst Algemene Inwendige Ziekten, Infectieziekten en Psychosomatie


Dr. A. Mariman
Lic. I. David
Polikliniek 2
Tel. 09/332 23 50

 

* Dienst Kinderneurologie, Centrum voor slaapstoornissen en wiegedoodscreening


Dr. K. Dhondt
Kliniekgebouw 6, gelijkvloers
Tel. 09/332 65 90

 

* Dienst Neus-, Keel- en Oorheelkunde


Prof. Dr. S. Claeys
Polikliniek 1
Tel. 09/332 23 32

 

* Dienst Tand-, Mond- en Kaakziekten


Lth. M. De Meyer
Polikliniek 8
Tel. 09/332 40 57

 

Medewerkers

 

Artsen

 

Dr. F. Bauters, longarts
Dr. S. Claeys, NKO-arts
Lic. I. David, licentiaat psycholoog
Lth. M. De Meyer, tandarts
Dr. K Dhondt, kinderpsychiater
Dr. K Hertegonne, longarts
Dr. A. Mariman, psychiater


Slaaptechnologen

 

M. Neyens, hoofdtechnoloog
S. Bouduin
H. Deplancke
F. De Vos
L. Verhegge


Verpleegkundig team

 

E. De Burck, hoofdverpleegkundige

   
De normale slaap  


I. De normale slaapstructuur
  1. Fysiologie van de slaap
  2. Slaapcyclus en het hypnogram
  3. Slaap en leeftijd
     a. Pasgeborenen
     b. Volwassen
     c. Ouderen
  4. Slaapregistratie
II. Circadiane systemen
  1. Slaap/waak-cyclus
  2. Biologische klok
  3. Zeitgebers
  4. Individuele kenmerken
  5. Biologische klok en maatschappij

 
 
 
I. De normale slaapstructuur 

 

  1. Fysiologie van de slaap

 

In de afgelopen 50 jaar is komen vast te staan dat er niet twee existentiële toestanden zijn (slapen en waken), doch drie: waaktoestand, REM (rapid eye movements) slaap en NREM (non-REM) slaap.
Vijfenzeventig tot tachtig procent van de nachtelijke slaap bestaat uit de NREM slaap. NREM slaap telt 3 stadia, elk met eigen karakteristieke electro-encefalografische (EEG) bevindingen.
 
Stadium I is een overgang tussen de waaktoestand en slaap. Het alfa-ritme (8 tot 12 Hertz, kenmerkend tracé van waaktoestand) vermindert en verdwijnt om plaats te maken voor een trager ritme, gekenmerkt door theta-golven (3 tot 7 Hertz).
 
Het basisritme van stadium II is hetzelfde als stadium I, doch nu verschijnen er typische grafo-elementen (slaapspoeltjes en K-complexen).
 
Stadium III van de NREM slaap komen overeen met diepe slaap en vertonen kenmerkende delta-golven. Onder delta-activiteit verstaat men trage golven met hoge amplitude (0,5 tot 2 Hertz, amplitude > 75 µV). In stadium 3 komen delta-golven voor in méér dan 20 %van de tijd.
 
In REM slaap wordt het basistracé gekenmerkt door dezelfde thêta-activiteit als in stadium I van de NREM slaap. Deze slaaptoestand wordt vooral gekarakteriseerd door het optreden van fazen van snelle, onwillekeurige oogbewegingen. De activiteit van de skeletspieren is er merkelijk onderdrukt. Alle spiergroepen met uitzondering van de oogspieren en de ademhalingsspieren vertonen "atonie" (zijn als het ware verlamd). Daar de REM slaap overeenkomt met de periode van de slaap waarin wij dromen, lijkt de onderdrukking van de spieren onderdeel te zijn van een fysiologisch beschermingsmechanisme dat het individu verhindert om zijn droommentatie uit te voeren.
 Klik hier voor een overzicht van de verschillende stadia.

 

  2. Slaapcyclus en het hypnogram


Een slaapcyclus bestaat uit een opeenvolging van de NREM stadia I, II en III gevolgd door een episode van REM slaap. De overgang van de verschillende stadia gebeurt gradueel. Zo ziet men trage golven verschijnen in stadium 2 in de periode die voorafgaat aan stadium 3. De eerste REM slaap faze doet zich gewoonlijk voor ongeveer 90 min na het inslapen. De volledige slaap wordt gekenmerkt door het
optreden van 4 tot 6 van dergelijke slaapcycli, waarbij het opvalt dat stadium III van de NREM slaap zich vooral in het begin van de nacht voordoet, terwijl de REM episodes langer gaan duren en intenser worden naar het einde van de nacht toe. De grafische voorstelling van de opeenvolging van deze cycli wordt aangeduid met de term "hypnogram".
  

  3. Slaap en leeftijd


a) De slaapduur en de slaappatronen zijn in sterke mate afhankelijk van de leeftijd. De pasgeborene slaapt ongeveer twee derde van het etmaal. De slaapcyclus van de pasgeborene duurt ongeveer 60 (in plaats van 90) min. Het slaap en waak EEG zijn moeilijk van mekaar te onderscheiden. REM slaap is hier gekenmerkt door lichaamsbeweging, vandaar dat men de slaap van het pasgeboren kind onderverdeelt in rustige of “passieve” slaap (het equivalent van NREM slaap bij de volwassene) en onrustige of “actieve” slaap (equivalent van REM slaap).
b) De slaap bereikt zijn normale duur en architectuur op jong volwassen leeftijd. De gemiddelde slaapduur bedraagt 7½ uur. Er zijn evenwel individuen die voldoende recupereren met heel wat minder slaap (habituele korte slapers) en anderzijds zijn er personen die 10 uur of langer slapen per etmaal (habituele lange slapers). De ideale slaapduur is dus individueel verschillend en constitutioneel bepaald.
c) De oude dag is gekarakteriseerd door een afnemende slaapefficiëntie (zijnde de verhouding van de totale slaaptijd tot de tijd in bed), een vermindering van de hoeveelheid delta-slaap, en een toenemende neiging tot ontwaken tijdens de slaap (slaapfragmentatie). Bovendien is er een afvlakking van de slaap/waak-cyclus, waarbij de slaapfase minder intens verloopt, en de waaktoestand verstoord kan worden door slaperigheid. De bejaarde ziet zich niet alleen geconfronteerd met een veroudering van de slaap, doch ook met een toegenomen kans om te lijden aan één of meer specifieke slaapstoornissen.
 

  4. Slaapregistratie


De slaap wordt in het laboratorium bestudeerd door de simultane registratie van verschillende parameters. Niet alleen wordt het electro-encephalogram (EEG) geregistreerd, doch ook het electromyogram (EMG), electro-oculogram (EOG), electro-cardiogram (EKG), de ademhaling, de zuurstofsaturatie van het arteriële bloed, het snurken, de lichaamshouding en andere afgeleiden. Het geheel wordt polysomnografie genoemd. Aanvullend wordt een video-opname van de slapende persoon uitgevoerd, ten einde bepaalde aspecten van het slaapgedrag te kunnen bestuderen. Vooraleer een patiënt naar het slaaplaboratorium te verwijzen, wordt een grondige anamnese en klinisch onderzoek verricht. Niet zelden volstaat dit vooronderzoek om de aandoening te diagnosticeren, hetgeen een (dure) polysomnografie overbodig maakt.
 

 
 
II. Circadiane systemen


  1. Slaap/waak-cyclus


De verschillende lichamelijke funkties verlopen niet volgens een continue activiteit, doch vertonen schommelingen in de loop van de tijd. Een aantal van deze funkties volgt een sinusoïdale kurve, waarbij een maximum en een minimum wordt bereikt. De cyclusduur bedraagt bij benadering 24 uur. Vandaar dat men spreekt van een circadiaan verloop (circa=ongeveer,  diaan=dag).
Enkele voorbeelden van biologische systemen die zich volgens een circadiaan ritme gedragen zijn:

* slaap/waak activiteit 
* lichaamstemperatuur
 * vrijstelling van hormonen in het bloed (bv. cortisol)
 * hartritme

 

  2. Biologische klok


In de hersenen bevindt zich een zenuwkern die de functie van “biologische klok” waarneemt: deze kern vertoont een duidelijke oscillatoire activiteit met een cycluslengte van ongeveer 24 uur. Het gaat om de nucleus suprachiasmaticus, een in de hypothalamus (in de bodem van het derde ventrikel) gesitueerde zenuwkern, die zich net boven het chiasma opticum bevindt, langs weerszijden van de middellijn. Experimenteel onderzoek bij knaagdieren heeft aangetoond dat vernietiging van deze zenuwkernen aanleiding geeft tot het verdwijnen van de bioritmiek van voornoemde systemen. De nucleus suprachiasmaticus wordt dus beschouwd als de “orkestmeester” of de “hoofdklok” die de activiteit van een aantal ondergeschikte pacemakers dirigeert. De zenuwcellen van de nucleus suprachiasmaticus vertonen een intrinsieke ritmische activiteit die blijft bestaan wanneer de cellen in vitro worden geïsoleerd.
 

  3. Zeitgebers


De eigenschappen van de biologische klok werden bestudeerd op individuen in tijdsisolatie. In deze experimentele situatie heeft men kunnen vaststellen dat het circadiane ritme niet exact 24 uur, doch ergens tussen de 24 en 28 uur bedraagt. De klok loopt dus te traag. Er zijn evenwel mechanismen die de klok opnieuw synchroniseren met de dag/nacht-cyclus. Deze tijdsindicatoren worden “Zeitgebers” genoemd. De belangrijkste Zeitgeber is licht:  de suprachiasmatische kern staat in verbinding met het netvlies van het oog (de retina) via de tractus retino-thalamicus. Lichtimpulsen met een bepaalde sterkte kunnen de fase van het circadiane ritme doen verschuiven. De richting van de verschuiving (vroeger - later) is afhankelijk van het tijdstip waarop de blootstelling aan licht zich voordoet. Ook sociale Zeitgebers (kennisname van het tijdstip van de dag, maaltijden...) kunnen sterk de circadiane klok beïnvloeden.
 

  4. Individuele kenmerken


Onze slaap/waak-cyclus wordt in belangrijke mate beïnvloed door de activiteit van de biologische klok. Een aantal slaap/waak-problemen zijn het gevolg van een spontane verschuiving van het interne ritme ten opzichte van het sociale tijdsschema. Deze stoornissen resulteren in moeilijkheden om normaal te functioneren in het tijdskader van de maatschappij. Een vertraagde slaapfase, waarbij het individu later gaat slapen en later uit bed komt, wordt vaak gezien bij adolescenten en jonge volwassenen. Alhoewel bepaalde sociale Zeitgebers hier ongetwijfeld een rol kunnen spelen, stelt men vast dat vele jongelui toch een spontane neiging vertonen om later naar bed te gaan. Bij de (hoog)bejaarde bemerkt men een omgekeerde tendens, met neiging tot vervroeging van de slaapfase. Bij bepaalde vormen van dementie kan de vervroeging extreem zijn en aanleiding geven tot omkering van het dag/nacht-ritme. Vele gezonde individuen ervaren een (milde) verschuiving van de slaapfase en categoriseren zichzelf onder de “vroege vogels”, hetzij onder de “nachtuilen”.
 

  5. Biologische klok en maatschappij


In de moderne tijd zijn kunstmatige verschuivingen van de slaap/waak-fase schering en inslag. De beste voorbeelden zijn: ploegenarbeid en transmeridiane vluchten. Bij westwaartse vluchten wordt een artificiële vertraging, en bij oostwaartse vluchten een vervroeging van de cyclus bewerkstelligd. 
Actueel wordt gebruik gemaakt van artificieel licht met hoge intensiteit (vb. lichthelmen) om de gedesynchroniseerde slaap/waak-cyclus te behandelen. Ook melatonine heeft een potentiële rol in de behandeling van verschuivingen van de slaap/waak-cyclus. 

 

Overzicht van de verschillende slaapstadia
 
Wakker alfa- en betagolven :        8-12 Hz 

  >15 Hz 

Stadium I vnl. thetagolven  :          3-7 Hz 

Stadium II 

 

slaapspoeltjes en K-complexen :   spoeltje 

  K-complex 

   
Stadium III >20 % deltagolven   

Stadium REM basistracé van stadium I en snelle onwillekeurige oogbewegingen. REM’s 


 
 


 

Slaaplaboratorium 


1. Inleiding
2. Wat kan men als patiënt verwachten van een slaapstudie?
3. Multipele Slaaplatentietijden Test (MSLT)
4. Wat wordt er gemeten bij een slaaponderzoek?
5. Verwerking en interpretatie van de studie

 


1. Inleiding

 

De zorg voor de patiënt met slaapstoornissen start meestal bij een poliklinische raadpleging, waarbij een inventaris van het klachtenpatroon wordt opgemaakt aan de hand van een zeer gedetailleerde vragenlijst en een oriënterend klinisch onderzoek. Afhankelijk van de aard en de ernst van de vermoede aandoening wordt een slaaponderzoek gepland in het ziekenhuis.
Het slaaplaboratorium is een aparte eenheid binnen het ziekenhuis. Het beschikt over een centrale controleruimte waar de slaap op computer wordt geregistreerd en de aan de gang zijnde studies met een videocamera worden bewaakt door daartoe opgeleid personeel. De patiënt verblijft bij voorkeur in een éénpersoonskamer die met registratieapparatuur is uitgerust. Ten allen   
tijde kan de persoon bij wie een studie wordt verricht ontkoppeld worden, mocht dit wenselijk blijken. Ook wordt de persoon ervan verwittigd dat het verloop van de slaap gevolgd wordt met videoregistratie.

 

2. Wat kan men verwachten van een slaaponderzoek?


Na voorafgaande consultatie in de slaapkliniek of na verwijzing door een behandelend arts volgt een opname voor slaaponderzoek. Meestal wordt slechts één studienacht gepland, omdat -enkele uitzonderingen niet te na gesproken- de registratie van één nacht voldoende informatie bevat om tot een diagnose te komen. De opname in het ziekenhuis gebeurt al in de vroege namiddag. Een verpleegkundige van het slaapcentrum staat in voor het onthaal bij aankomst. Twee bijkomende vragenlijsten worden overhandigd, één

in te vullen vóór bedtijd, en één in te vullen bij het ontwaken 's ochtends. De aldus bekomen informatie kan waardevol zijn bij de interpretatie van het slaaponderzoek. Na een woordje uitleg van de verpleegkundige worden alle elektroden en sensoren reeds in de vroege namiddag aangebracht. Zodoende is er een betere gewenning voor de toch ongewone situatie en de eventuele ongemakken die eigen zijn aan de omgeving van het slaaplabo. Nadat de sensoren en elektroden zijn aangebracht blijft er voldoende bewegingsvrijheid voor courante activiteiten.
Op het gewone slaapuur gaat men naar bed. Op dat ogenblik wordt een vaste verbinding gemaakt met de registratieapparatuur en wordt de registratie gestart. De goede gang van zaken wordt gecontroleerd door een nachtbewaker. Bij storing of uitvallen van een signaal, kan het gebeuren dat deze persoon de slaapkamer betreedt om de fout te herstellen. 's Ochtends bij het ontwaken worden alle elektroden en sensoren verwijderd. Na het invullen  van de vragenlijst is men vrij om het ziekenhuis te verlaten.  Er wordt een afspraak meegegeven voor de bespreking van de resultaten met de slaapspecialist.

 

3. Multipele Slaaplatentietijden Test (MSLT)


In sommige gevallen van toegenomen slaperigheid overdag zal uw arts u voorstellen om een aanvullende test te ondergaan op de dag aansluitend aan uw slaaponderzoek. Hierbij wordt u gevraagd om overdag op geijkte tijdstippen, namelijk om de 2 uur, gedurende 20 minuten een dutje te doen of een poging te ondernemen om te gaan slapen. Op dat ogenblik wordt eveneens de activiteit van het centraal zenuwstelsel geregistreerd. Dit kan uw arts helpen een onderscheid te maken tussen vermoeidheid en slaperigheid of verhoogde slaapdruk. Eveneens kan het voorkomen van abnormale slaapfenomen overdag hiermee opgespoord worden.
 

4. Wat wordt er gemeten bij een slaaponderzoek?


De activiteit van het centraal zenuwstelsel wordt gemeten met meerdere elektroden.
De hersenactiviteit (EEG : elektro-encefalogram) wordt geregistreerd met elektroden die op de scalp gekleefd worden. De combinatie van deze signalen, samen met de informatie afkomstig van elektroden ter hoogte van de kin (meting van spieractiviteit - EMG : elektro-myogram) en buitenzijde van de ogen (oogbewegingen - EOG : elektro-oculogram) laat toe om de verschillende stadia van de slaap te herkennen (zie normale slaap).
 

 
 


EEG EOG EMG
 
De ademhaling wordt geregistreerd met behulp van verschillende signalen: de beweging van borstkas en buik (adembanden), de luchtstroom door de neus (neusbrilletje), het zuurstofgehalte in het bloed (saturatiemeter).
 
 
  
  

Adembanden Tracheamicrofoon Saturatieprobe
 
Een microfoon geplaatst ter hoogte van de hals laat toe om het snurken te registreren en om onderscheid te maken met andere vormen van geluid zoals piepen en vocalisatie.
 

In de inputbox (stekkerdoos) bevindt zich een positiemeter die informatie verschaft over de lichaamshouding tijdens de slaap. De elektrische activiteit van het hart (EKG: elektro-cardiogram) wordt eveneens geregistreerd, alsook de beweging van de onderste ledematen : repetitieve beenspieractiviteit kan immers wijzen op periodieke beenbewegingen of restless legs.
 

5. Verwerking en interpretatie van de studie


 De studie van de geregistreerde slaap is een arbeidsintensieve bezigheid. De volledige registratie, die zes tot acht uur beslaat, wordt op het computerscherm uitgelezen in pagina's van een halve minuut. Dit betekent concreet dat de slaaptechnoloog zo'n 720 tot 960 pagina's moet doorlopen en op iedere pagina belangrijke gebeurtenissen moet aanduiden, zoals het slaapstadium, eventuele apnoe's, beenbewegingen, ontwaakreacties.

Afhankelijk van de ernst van de slaapstoornis kan deze taak één tot drie uur duren. De verantwoordelijke arts- slaapspecialist neemt eveneens de slaapstudie door, interpreteert de bekomen resultaten en formuleert een protocol, met inbegrip van advies voor behandeling. Nadien worden deze resultaten in detail besproken met de patiënt. 


 
 

Slaapstoornissen 

 
Dat slaapstoornissen vaak voorkomen bij de bevolking is reeds lang bekend. In de afgelopen decennia is aan de hand van epidemiologisch onderzoek vastgesteld dat meer dan een kwart van de volwassenen slaapstoornissen vertonen, gaande van occasionele tot zeer frequente of zelfs dagelijkse klachten. Het verbruik van slaapmiddelen, bedoeld om deze slaapstoornissen beter te “controleren”, is alarmerend hoog. Slaapstoornissen gaan gepaard met een verhoogde kans op bijkomende ziekteprocessen, en kunnen soms fatale gevolgen hebben. Los van een verhoogde kans op ziekte of op overlijden, moet het belang van de impact van slaapstoornissen op de levenskwaliteit beoordeeld worden. Miljoenen mensen leven dag in dag uit, in een wazige mist van slaperigheid en vermoeidheid. Aan vele mensen wordt een abnormaal slaap/waak-ritme opgelegd, denken we maar aan mensen in ploegenarbeid en aan personen die vaak het vliegtuig nemen naar verre bestemmingen.
Andere voorbeelden van nefaste gevolgen van problemen met de slaap zijn verkeersongevallen door het inslapen achter het stuur, het plaatsen van ouderen in bejaardentehuizen omdat ze nachtelijke verwardheid vertonen, overlijden van jonge baby’s tijdens de slaap – de zogenaamde wiegendood. Een betere erkenning en behandeling van deze problematiek is aan de orde.
Specialisten die de slaapgeneeskunde beoefenen erkennen de noodzaak van vroege diagnose en behandeling van ziekten die gekoppeld zijn aan de slaap, van bij de geboorte tot in de laatste levensjaren. Hierbij wordt ook groot belang gehecht aan preventie, onderzoek, gezondheidsopvoeding en –voorlichting.
In die optiek zijn er in de meeste Westerse landen professionele verenigingen ontstaan die tot doel hebben de kennis over de slaap te ontwikkelen en de gezondheidszorg op het domein te verbeteren. In ons land is dit de Belgische Vereniging voor de Studie van de Slaap (Belgian Association for the Study of Sleep, afgekort BASS).

 

 
Hypersomnia


  
1. Wat is hypersomnia?
2. Gevolgen
3. Diagnostische problemen
4. Oorzaken van hypersomnie

 
 
 
1. Wat is hypersomnia?


Overdreven slaperigheid is een symptoom dat aangetroffen wordt bij een reeks van specifieke ziektebeelden (zie Tabel ). Onder ‘hypersomnie’ of ‘hypersomnolentie’ verstaat men een medische conditie gekenmerkt door dagelijks terugkerende en meermaals in de loop van de dag aanwezige episoden van slaperigheid. Deze somnolentie kent een crescendo verloop en mondt onvermijdelijk uit in een toestand van effectieve slaap. Slaperigheid kan voorkomen in verschillende gradaties, gaande van mild (vb. enkel na het middagmaal) tot ernstig, waarbij het individu bij herhaling in slaap valt in ongewone omstandigheden (vb. tijdens de maaltijd, tijdens een gesprek met iemand of bij het besturen van een voertuig op een kort traject). Deze somnolentie komt vooral tot uiting in permissieve omstandigheden, zoals tijdens zittend werk, lezen, TV kijken, bijwonen van vergaderingen en rijden met de wagen. Vechtend tegen de slaap kunnen de patiënten een vorm van “automatisch gedrag” vertonen. Dit wil zeggen dat zij handelingen uitvoeren, waarvan zij zich achteraf niet meer kunnen herinneren wanneer of hoe zij deze hebben volbracht.
 

2. Gevolgen


De gevolgen van excessieve slaperigheid tijdens de dag kunnen ernstig zijn. Zowel in de familiekring als op het werk kan de slaperigheid verward worden met luiheid of gebrek aan motivatie. Het indommelen in het bijzijn van anderen is zondermeer gênant. De patiënt met hypersomnie zal deze situatie zoveel mogelijk trachten te voorkomen of te camoufleren, bijvoorbeeld door dutjes te doen op het toilet.  Patiënten met slaapapnoe of narcolepsie ervaren een permanente verstoring van hun werkcapaciteit door de steeds terugkerende slaperigheid en gebrekkige cognitieve performantie. Vaak geven zij zelf een negatieve appreciatie van hun geleverde werk.
 

3. Diagnostische problemen


De volle draagwijdte van het symptoom ‘hypersomnolentie’ is vaak moeilijk in te schatten. De geraadpleegde arts is zich niet steeds bewust van het belang van deze klacht. Bovendien kan de ondervraging door de arts ontoereikende informatie opleveren, wanneer de patiënt de ernst van zijn slaapzucht onderschat. Het inwinnen van gegevens bij de partner zal in een aantal gevallen een betere appreciatie toelaten.
 
Het is zeer belangrijk om een onderscheid te maken tussen “moeheid” en “slaperigheid”. Alhoewel patiënten met chronische vermoeidheid een gestoorde slaap kunnen vertonen, staat somnolentie doorgaans niet op de voorgrond. Zij klagen vooral van onvoldoende mentale en fysieke energie om courante activiteiten en arbeid te verrichten. Patiënten met overdreven slaperigheid daarentegen ondervinden meestal geen moeheid zolang zij lichamelijk actief zijn. Van zodra zij echter gaan zitten of overgaan tot rustige activiteit, worden zij overmand door de slaap.

 

4. Oorzaken van hypersomnie

 
* Slaapapnoesyndroom

- centraal  (incl. Cheyne-Stokes ademhaling)
- obstructief
- slaapgebonden alveolaire hypoventilatie

* Narcolepsie
* Idiopathische centraal-nerveuze hypersomnie
* Periodic Limb Movements en restless legs
* Kleine-Levin syndroom
* Psychiatrische aandoeningen 

- affectieve stoornissen
- varia

* Medische aandoeningen


- hypothyroïdie
- orgaaninsufficiëntie in precomateuze fase
- infectieziekten
- varia

 
* Medicatie, gebruik van alcohol en drugs
*  Gebrekkige slaap/waak-hygiëne met slaapdeprivatie


Insomnia / slapeloosheid 

 

1. Wat is insomnia?
2. Voorbijgaande insomnia
3. Chronische slapeloosheid
4. Psychofysiologische insomnia
5. Insomnia en slaapmiddelengebruik

  
   
1. Wat is insomnia? 


Onder slapeloosheid (insomnia) wordt verstaan dat men regelmatig moeilijkheden ondervindt bij het inslapen of het doorslapen. Deze term wordt algemeen gebruikt om aan te geven dat er een tekort is aan de hoeveelheid nachtelijke slaap. Slapeloosheid komt vaak voor, in sommige epidemiologische studies bedraagt de prevalentie tot één derde van de volwassen bevolking. Insomnia heeft nare gevolgen. Het leidt tot een verminderd gevoel van algemeen welzijn, vermoeidheid, slecht humeur, gedaalde motivatie, alsook tot stoornissen van de aandacht en de waakzaamheid. Deze mensen vertonen ook een laag energiepeil en hebben moeite om zich te concentreren. 

  
2. Voorbijgaande insomnia. 


Deze stoornis manifesteert zich gedurende een relatief korte tijdspanne die niet langer dan enkele weken duurt. Het gaat om een eerder benigne vorm van slapeloosheid, die uitgelokt kan worden door bv. stress of door socio-economische moeilijkheden. Doorgaans lost het probleem zich vanzelf op. 

  
3. Chronische slapeloosheid 


Chronische slapeloosheid is een ernstiger probleem. Vaak gaat het om een stoornis die qua ernst toeneemt in de loop der tijd. Uiteindelijk kan chronische slapeloosheid aanleiding geven tot secundaire ziekten, zoals depressie en kan impact hebben op sociaal, professioneel en persoonlijk leven.
Insomnia moet beschouwd worden als een symptoom en niet als een ziekte op zichzelf. Vaak gaan er andere stoornissen onder schuil. Insomnia is dikwijls ook de resultante van meerdere factoren die tegelijkertijd een rol spelen.
Een aantal mensen worden “kwetsbaar” geboren. Reeds van kindsbeen af zijn ze slechte slapers, die soms uren wakker liggen of vaak opstaan uit bed. Ze zijn als het ware voorbestemd om chronische insomnia te ontwikkelen. Alhoewel chronische insomnia aanleiding kan geven tot andere psychiatrische stoornissen, kunnen majeure psychiatrische ziektebeelden, zoals bv. depressie, op zichzelf gepaard gaan met insomnia. Sommige bevorderende factoren voor insomnia zijn toe te schrijven aan de levensstijl: overmatig gebruik van de stimulantia zoals bv. cafeïne en nicotine, gebruik van alcohol (dat weliswaar het inslapen kan bevorderen, doch het doorslapen flink kan bemoeilijken), naar bed gaan op verkeerde tijdstippen en overmatige inactiviteit zijn hiervan bekende voorbeelden. 

  
4. Sommige mensen hebben zichzelf aangeleerd om slecht te slapen. 


Deze aandoening, ook nog “psychofysiologische insomnia” genoemd, is de resultante van een negatieve spiraal. Deze mensen slagen er niet in om op een normale manier in slaap te geraken en hoe meer inspanningen zij doen om in slaap te vallen, des te alerter hun geest wordt. Het gewoonlijke slaapritueel, zoals bv. pyjama aantrekken, gordijnen dichtdoen, tanden poetsen, etc. doet deze mensen eraan herinneren dat ze de zoveelste slechte nacht  tegemoet gaan. Op dat ogenblik worden ze angstig en hypernerveus. Wanneer ze daarentegen niet de intentie hebben om te slapen, zoals bv. bij het TV kijken, vallen ze toch vlot in slaap. Deze mensen zullen ’s nachts ook liggen piekeren, zich afvragen hoelang ze nog ‘moeten’ wakker liggen (ze kijken vaak naar de wekker) en zullen ’s ochtends gefrustreerd en geradbraakt opstaan. De kern van deze stoornis is negatieve conditionering en het zichzelf aanleren, zij het onbewust, van een onaangepast slaapgedrag. 

  
5. Insomnia en slaapmiddelengebruik 


Het systematisch gebruik van slaapmiddelen is voor de behandeling van deze stoornis af te raden, omdat courante slaapmiddelen reeds na enkele weken gebruik hun effect verliezen.  Om een zelfde effect te bekomen moet men steeds een hogere dosis gebruiken of overschakelen op sterkere middelen. Dit leidt uiteindelijk tot verslaving. Wanneer deze middelen plotseling gestopt worden kan het zijn dat de slapeloosheid in sterke mate toeneemt. Daarom verdient het aanbeveling om deze middelen niet abrupt te stoppen, doch eerder geleidelijk af te bouwen.  


 6. Wat te doen bij insomnia?


Slapeloosheid kan ook het gevolg zijn van externe factoren, zoals bv. te veel licht, te veel lawaai of kan voortvloeien uit lichamelijke ziekte (zoals bv. moeilijkheden met de ademhaling, aandoeningen die gepaard gaan met pijn of chronische ongemakken). Patiënten met chronische insomnia zijn zelden in staat om uit zichzelf tot een beter slaap/waak-ritme te komen. Doktersadvies is dan ook meestal noodzakelijk. Toch zijn er een aantal vrijblijvende maatregelen die in verband hiermee kunnen genomen worden en die vaak tot een verbetering van de toestand leiden. Dit zijn de zogenoemde maatregelen voor goede slaap/waak-hygiëne.

 
Narcolepsie


 
1. Wat is narcolepsie?
2. Symptomen
  a) Steeds terugkerende slaperigheid en “slaapaanvallen”
  b) Cataplexie
  c) SOREMP
3. HLA-associatie
4. Diagnose
5. Behandeling

 
 
 
 
1. Wat is narcolepsie?


Narcolepsie is een neurologische stoornis, waarvan de oorsprong nog onvoldoende is opgehelderd. Narcolepsie wordt gekenmerkt enerzijds door overdreven slaperigheid overdag (waarbij het individu meermaals is slaap valt) en anderzijds door abnormale REM slaap fenomenen, die zich zowel tijdens de slaap als tijdens de waaktoestand gaan manifesteren. De verschijnselen variëren van milde symptomen tot invaliderende afwijkingen.
 

2. Symptomen


De belangrijkste symptomen van narcolepsie zijn vervat in de volgende tetrade:
 
* steeds terugkerende slaperigheid en “slaapaanvallen”
* cataplexie
* slaapparalyse
* hypnagoge hallucinaties

 

a) Steeds terugkerende slaperigheid en "slaapaanvallen"
De slaperigheid overdag kan zeer hinderlijk zijn. Het gaat om een toenemend slaperigheidspatroon dat uiteindelijk aanleiding geeft tot een periode van effectieve slaap. Na een korte slaapperiode voelt de narcolepticus zich verfrist, doch weldra treedt andermaal een gevoel van slaperigheid op. Dergelijke episodes van slaap duren 10 à 30 minuten en kunnen zich meermaals voordoen in de loop van de dag. Zij komen vooral tot uiting in rustige omstandigheden, zoals tijdens zittend werk, bijwonen van vergaderingen en rijden met de wagen. Vechtend tegen de slaap kunnen de patiënten een vorm van “automatisch gedrag” vertonen (dit wil zeggen dat zij taken uitvoeren, waarvan zij zich achteraf niet meer kunnen herinneren wanneer of hoe zij dit gedaan hebben). De gevolgen van uitgesproken slaperigheid tijdens de dag kunnen ernstig zijn. Zowel in de familiekring als op het werk kan de slaperigheid verward worden met luiheid of gebrek aan motivatie. Dit leidt tot familiale en sociale herrie, met eventueel echtscheiding en verlies van tewerkstelling. Zolang de aandoening onherkend blijft, beseft de patiënt niet wat er aan de hand is. De voortdurende slaperigheid kan een bron zijn van frustratie, zelfverwijt, depressie, alsook van ontkenning: patiënten onderschatten of minimaliseren dit probleem om niet het gevaar te lopen het voorwerp van spot te zijn. Bovendien is de slaperigheid een gevaarlijke situatie, die de onmiddellijke aanleiding is van arbeids- en verkeersongevallen.

 

b) Cataplexie
Een ander kenmerk van narcolepsie is de aanwezigheid van een ongewone REM slaap manifestatie in de waaktoestand. Dit fenomeen, cataplexie genoemd, komt overeen met een plots, kortdurend krachtsverlies van de skeletspieren. Cataplexie wordt doorgaans uitgelokt door emotie. Zowel woede, een lachuitbarsting, als de emotionele opwinding bij een belangrijke gebeurtenis kan een aanval van cataplexie veroorzaken. De verschijnselen variëren van een zwaktegevoel in de gelaat- en nekspieren of in de benen, tot een bruuske val. Daar patiënt het bewustzijn behoudt, is het onderscheid met banaal bewustzijnsverlies (syncope) duidelijk. Dit verschijnsel duurt enkele seconden tot enkele minuten en kan zich eveneens meermaals per dag voordoen. Sommige narcoleptici schuwen sociaal contact, precies vanwege deze aanvallen van spierverslapping. Ongeveer 60% van de narcolepsiepatiënten vertonen cataplexie. Dit symptoom kan zich vroegtijdig of laattijdig manifesteren in verloop van de aandoening.
 

  c) SOREMP
Een kenmerkende vaststelling bij het slaaponderzoek is dat REM slaap zich kort na het inslapen voordoet. De slaap kan zelfs aanvangen met een REM episode (SOREMP - sleep onset REM period). Subjectief ervaren de narcolepsiepatiënten deze plotse overgang naar REM slaap als slaapparalyse (het individu is zich bewust van de omgeving, doch is niet in staat zich te bewegen), hetzij onder de vorm van hypnagoge hallucinaties (dit zijn levendige gebeurtenissen of gewaarwordingen die waargenomen worden in het begin van de slaap; achteraf realiseert men zich dat deze belevingen fictief waren). Zowel slaapparalyse als hypnagoge hallucinaties kunnen een beangstigend of bedreigend karakter hebben.
De nachtelijke slaap kan vervolgens normaal verlopen of onderbroken worden door herhaalde ontwaakepisodes.
 

3. HLA-associatie


De eerste verschijnselen van narcolepsie, meestal onder de vorm van slaperigheid, doen zich doorgaans voor op adolescentieleeftijd. Het gaat om een erfelijke aandoening, waarbij de overerving multifactorieel bepaald is. Er is een sterke associatie met het Humaan Leukocytair Antigen DR2 (HLA DR2). 

 

4. Diagnose


In het slaaplaboratorium wordt een specifieke test toegepast voor de evaluatie van overdreven slaperigheid, alsook voor de detectie van de SOREMPs. De MSLT (Multipele Slaap Latentie Test) behelst het uitvoeren van vier tot vijf dutjes (met een maximale duur van 20 minuten en een interval van twee uur) in de loop van de dag. Ziekelijke slaapzucht is gekenmerkt door snel inslapen bij alle dutjes. De latentietijd tot inslapen bedraagt in dit geval gemiddeld minder dan vijf minuten. Wanneer bovendien in minstens twee van de dutjes een REM slaapepisode optreedt, beschikt men quasi over de zekerheidsdiagnose van narcolepsie.


 5. Behandeling


Vermits de oorzaak van narcolepsie voorlopig nog onvoldoende gekend is, is men aangewezen op symptomatische behandeling. Voor de slaperigheid worden opwekkende middelen (amfetamines of aanverwante stimulantia) voorgeschreven. De cataplexie reageert doorgaans goed op antidepressiva, vermits deze geneesmiddelen een sterke onderdrukking van de REM slaap kunnen teweegbrengen. Bij sterk gefragmenteerde slaap en moeilijk te behandelen cataplexie kan eventueel een centraal sederend medicijn zoals gamma-hydroxy-boterzuur toegediend worden. Het belang van voorlichting van familie en werkgever, alsook van het inlassen van dutjes op geijkte tijdstippen, mag niet onderschat worden.


Parasomnia's 


 
De benaming "parasomnia" verwijst naar aandoeningen die niet zozeer het gevolg zijn van verstoringen van de slaap/waak-processen per se, maar die eerder gekenmerkt zijn door het tot uiting komen van ongewenste fysieke fenomenen tijdens de slaap.
 
* Slaapwandelen
* Praten in de slaap
* Slaapstuip
* Slaap paniekaanval

* Ritmische bewegingsstoornissen
* Tandenknarsen
* Nachtmerries
* REM slaap gedragstoornis

 
 
Slaapwandelen (somnabulisme)


Slaapwandelen ontstaat gewoonlijk tijdens een episode van diepe NREM slaap. Vermits diepe NREM slaap vooral in het begin van de slaap voorkomt, is de kans op slaapwandelen het grootst in de eerste helft van de nacht. Ontwaken vanuit dit slaapstadium verloopt moeizaam. Aangenomen wordt dat slaapwandelen het gevolg is van onvolledig ontwaken, waarbij het individu ergens in een ongedefinieerde toestand tussen slapen en waken vertoeft. De slaapwandelaar herinnert zich zijn nachtelijke "wandeling" niet. Het gedragspatroon kan complex zijn. Slaapwandelen wordt vaker op jonge leeftijd gezien en verdwijnt meestal met het ouder worden.
 

Praten in de slaap (somniloquie)


Praten in de slaap is een vaak voorkomende en volstrekt goedaardige manifestatie. Het blijkt bij voorkeur op te treden in stadium 2 van de NREM slaap.


Slaapstuip (hypnagoge schok)


De slaapstuip is een plotse lichaamsbeweging die zich voordoet tijdens de eerste inslaapperiode. Vaak gaat dit fenomeen gepaard met het gevoel "in een put te vallen". De slaapstuip is een vaak voorkomend curiosum van de slaap, waarvan het ontstaan nog niet is opgehelderd.
 

Slaap paniekaanval (pavor nocturnus)


Onder pavor nocturnus verstaat men een plotseling ontwaken uit NREM slaap (doorgaans diepe NREM slaap), waarbij het individu overeind veert, een luide gil slaakt, en tekenen van intense angst vertoont. Een snelle pols en transpiratie wijzen op activatie van het autonome zenuwstelsel. Net zoals bij slaapwandelen is het ontwaken onvolledig, want het slachtoffer van de paniekaanval reageert niet adequaat op externe stimuli, zoals aanspreken. Aanmoediging tot volledig ontwaken geeft meestal niet het gewenste resultaat: de persoon blijft in een toestand van verwarring. De aanval gaat spontaan voorbij. De volgende dag is er amnesie (geheugenverlies) voor het gebeurde. Pavor nocturnus is meest frequent tussen de leeftijd van 4 en 12 jaar en vertoont eveneens de neiging tot spontaan verdwijnen.
 

Ritmische bewegingsstoornissen


Ritmische bewegingsstoornissen zijn typische fenomenen die zich voordoen bij jonge kinderen, waarbij de symptomen zich ontwikkelen vóór het eerste levensjaar en meestal verdwenen zijn vóór het vierde levensjaar. Zelden persisteren deze stoornissen op volwassen leeftijd. De belangrijkste varianten zijn: "hoofdbonken" (jactatio capitis) en "lichaamswentelen". De ritmische beweging situeert zich in de fase van doezelen die aan de slaap voorafgaat, hetzij in de oppervlakkige NREM slaap.
 

Tandenknarsen


Bij het tandenknarsen maken de kaken malende bewegingen en worden de tanden krachtig over mekaar geschuurd. Tandenknarsen komt bij veel mensen voor. Het kan leiden tot vroegtijdige slijtage van de tandvlakken en tot overbelasting van de kaakgewrichten. Er zijn geen aanwijzingen dat er een associatie is met belangrijke medische of psychische problematiek. In ernstige gevallen is het dragen van een opbeetplaat noodzakelijk.
 

Nachtmerries


De omschrijving “nachtmerrie” wordt gereserveerd voor een beleving tijdens de REM slaap, waarbij de droombeleving een beangstigende inhoud heeft. In tegenstelling met de paniekaanval van de slaap, zal de nachtmerrie zich eerder in het midden of op het einde van de nacht voordoen. Een ander verschilpunt is het feit dat de nachtmerrie niet vertaald wordt in angstig lichamelijk gedrag, doch dat het individu als het ware “verlamd” de angstdroom ondergaat.
 

REM slaap gedragstoornis


Bij deze parasomnia is er een stoornis in het mechanisme van de REM slaap dat de spierkracht onderdrukt. De patiënten voeren hun dromen motorisch uit, waarbij zij soms agressief gedrag vertonen tijdens de slaap, zelfs in die mate dat zij zichzelf of hun partner verwondingen toebrengen. Meestal gaat het om oudere personen die overigens geen (andere) neurologische stoornissen vertonen. Het onderscheid met slaapwandelen is vrij evident: de parasomnische activiteit van patiënten met een REM slaap gedragsstoornis zal zich meestal in de tweede helft van de nacht voordoen, wanneer de REM slaap langer wordt en intenser gaat verlopen. Bovendien kunnen deze personen gemakkelijker uit hun abnormale slaapmanifestatie gewekt worden, en zullen zij zich hun droominhoud herinneren, waarbij dan een overeenkomst wordt gevonden tussen het thema van de droom en het geobserveerde gedrag.

 

 

Snurken en Slaapapnoe


 
 
1. Wat is slaapapnoe?
2. Prevalentie
3. Snurken
4. Andere Symptomen
5. Behandeling
   a) algemene maatregelen
   b) CPAP
   c) mondapparaatje
   d) chirurgische behandeling

   
   
1. Wat is slaapapnoe?


Apnoe betekent afwezigheid van ademhaling. De omschrijving "slaapapnoesyndroom" verwijst naar een geheel van ziekteverschijnselen die het gevolg zijn van periodieke onderbrekingen van de ademhaling tijdens de slaap. Doorgaans berusten deze onderbrekingen op een belemmering van de luchtstroom doorheen de keel. Tijdens de slaap verslapt de kracht van de keelspieren. Als gevolg hiervan worden de tong en het weke verhemelte naar achter verplaatst, waardoor de keelholte kleiner wordt en de weerstand voor de ingeademde lucht toeneemt. Wanneer de keel volledig dichtklapt tijdens de slaap, wordt de luchttoevoer naar de longen als het ware afgesneden, en ontstaat er apnoe. Gedeeltelijke afsluiting van de keelholte veroorzaakt een turbulentie van de luchtstroom, die het weke verhemelte en andere faryngeale structuren aan het trillen brengt. Dit fenomeen is beter gekend als snurken. Indien bij het snurken de luchtverplaatsing naar de longen afneemt, spreekt men van hypopnoe. Zowel apnoe’s als hypopnoe’s kunnen aanleiding geven tot zuurstofgebrek in het bloed.
 

2. Prevalentie


Het obstructief slaapapnoesyndroom (OSAS) wordt vooral gezien bij zwaarlijvige mannen van middelbare leeftijd, minder frequent bij vrouwen, kinderen en personen met normaal gewicht. Ongeveer 2-4% of méér van de volwassen bevolking lijdt aan één of andere vorm van slaapapnoe. De zeer ernstige vormen met nachtelijk zuurstofgebrek daarentegen komen waarschijnlijk niet vaker voor dan 3-4‰.
 

3. Snurken


De patiënt vertoont vaak hinderlijke symptomen. Luidruchtig snurken is typisch voor deze aandoening en gaat de overige symptomen meestal een aantal jaren vooraf. Deze beginnen zich te manifesteren wanneer het snurken onregelmatig wordt. De regelmaat van het snurken wordt verbroken door geluidloze passages die in feite overeenstemmen met de hoger beschreven ademonderbrekingen. De apnoe’s worden beëindigd door een korte ontwaakreactie. Een dergelijke ontwaakperiode duurt meestal niet langer dan 3 tot 15 seconden en gaat veelal gepaard met lichaamsbewegingen en luid gesnurk. De ontwaakreactie is levensreddend omdat als gevolg hiervan de ademhaling terug op gang komt. Na enkele ademteugen echter wordt de slaap hervat en treedt een volgende apnoe op. Deze opeenvolging van gebeurtenissen kan zich 300 tot 600 maal in de loop van de nacht herhalen, met een relatieve frequentie van 20 tot 120 apnoe’s per uur slaap. Een zeldzame keer schrikt de patiënt wakker met een verstikkingsgevoel. Meestal echter weet de persoon in kwestie niet dat hij/zij tijdens de slaap zo veel apnoe’s heeft doorgemaakt en zo vaak is wakker geworden. Veeleer is het de bedpartner die deze beangstigende verschijnselen opmerkt en aanstuurt op inwinnen van doktersadvies. Door de opeenvolging van apnoe's wordt de slaap telkens onderbroken en wordt nooit een diep, verkwikkend slaapstadium bereikt. Hierdoor wordt de slaperigheid overdag verklaard.
 

4. Andere symptomen


Overdreven slaperigheid tijdens de dag kan ernstige gevolgen hebben voor de patiënt. Meestal kan men achterhalen dat de slaperigheidsklachten progressief zijn toegenomen in de loop der jaren, gaande van doezelen tijdens eentonige situaties in de beginfase, tot uitgesproken slaapzucht op het einde. Geheugen- en concentratiestoornissen zijn eveneens belangrijke en vaak vermelde klachten.
Andere symptomen zijn: opstaan met een droge mond of pijnlijke keel, ochtendlijke hoofdpijn, frequent plassen ‘s nachts (soms bedwateren), nachtzweten en woelige slaap.
Bij slaapapnoepatiënten werd een gestegen risico aangetoond op hart- en vaatziekten (hoge bloeddruk, ritmestoornissen, hartfalen, hart- of herseninfarcten) met toegenomen sterfte dientengevolge.
De diagnose van slaapapnoe wordt in het slaaplaboratorium gesteld aan de hand van een slaapstudie. Hierbij worden de apnoe’s, alsook hun nadelige effecten op de kwaliteit van de slaap en op de hartslag, gedocumenteerd en geteld.
 

5. Behandeling


a) Algemene maatregelen
Bij de behandeling van het slaapapnoesyndroom zijn enkele algemene maatregelen van belang. Alcohol voor het slapengaan dient vermeden te worden. Alcohol kan het aantal en de duur van de apnoe’s doen toenemen. Hetzelfde geldt voor slaapmiddelen. Door vermagering kan de ernst van de aandoening gevoelig afnemen. Geneesmiddelen zijn tot nu toe weinig effectief gebleken. 
b) CPAP
Momenteel wordt voor de behandeling van matig tot ernstig OSAS de voorkeur gegeven aan ademhalingsondersteuning dmv  nasale CPAP (continuous positive airway pressure - continue positieve druk via de neus). Deze methode bestaat erin om tijdens de nacht met behulp van een luchtcompressor de neus- en keelholte onder positieve druk te brengen, dit via een verbinding met een neusmasker. Door de verhoogde luchtdruk wordt de keel opengehouden, waardoor het toeklappen van de keel verhinderd wordt. Deze behandeling wordt meestal goed verdragen en heeft een positief effect op de symptomen en op het cardiovasculaire risico. Slaaponderzoek tijdens de eerste nacht met nasale CPAP toont een sterke toename van zowel de diepe NREM als van de REM slaap. 

c) mondapparaatje
Voor snurken en mildere vormen van slaapapnoe kan het dragen van een speciaal mondapparaatje een afdoende remedie zijn. Deze apparaten bestaan uit twee beugels, één die past op de onderste tandenrij, en één die past op de bovenste tandenrij. Beide beugels zijn verbonden door een verstelbare mechaniek, die toelaat om de onderkaak naar vóór te schuiven ten opzichte van de bovenkaak. Door de onderkaak naar vóór te houden tijdens de slaap, wordt de ruimte achter de tongbasis verbreed, hetgeen een gunstig effect heeft op snurken en slaapapnoe. 
d) chirurgische behandeling
Voor snurken en mildere vormen van slaapapnoe wordt soms gekozen voor een heelkundige behandeling. De resultaten van UPPP (uvulo-palato-pharyngoplastiek of chirurgische wegname van de huig, de amandelbogen en een deel van de wand van het keelslijmvlies) zijn doorgaans bevredigend voor het snurken, maar laten vaak toch te wensen over voor wat de controle van de apnoe’s betreft. Recent werd het therapeutische arsenaal uitgebreid met technieken uit de maxillofaciale chirurgie. Door de toepassing van maxillo-mandibular advancement osteotomie (MMA), waarbij boven- en onderkaak naar vóór geplaatst worden, creëert men een ruime verbreding van de keelopening, hetgeen het dichtklappen van de keel tijdens de slaap bemoeilijkt, zoniet onmogelijk maakt (let wel: de normale slikfunctie blijft behouden). In deze groep wordt aldus een curatief resultaat bekomen ten belope van 80% tot 90%. 

 

Andere slaapstoornissen


* Centraal apnoesyndroom
* Nachtelijke myoclonus
* Restless legs syndroom
* Alcohol en slaapstoornissen

* Verandering van tijdszone (jet lag)
* Ploegenarbeid
* Vertraagde slaapfase-syndroom
* Versnelde slaapfase-syndroom


 
Centraal apnoesyndroom


Bij de obstructieve vorm van slaapapnoe wordt de ademhaling onderbroken door afsluiting van de bovenste luchtweg, dit terwijl de ademhalingsbeweging persisteert. Bij de centrale vorm blijft de bovenste luchtweg geopend en berust de onderbreking van de ademhaling op het wegvallen van de centrale prikkel tot ademen. Wanneer centrale apnoe's veelvuldig voorkomen, veroorzaken zij dezelfde verschijnselen als bij het obstructief slaapapnoesyndroom. Snurken is evenwel geen karakteristiek verschijnsel bij deze vorm van apnoe. Centrale slaapapnoe's worden vooral gezien bij aandoeningen van de hersenstam en bij hartfalen.
 

Periodieke beenbewegingen


Bij periodic limb movement syndrome (PLMS) treden periodieke bewegingen van de ledematen op tijdens de slaap, meest frequent van de benen. De beenbewegingen zijn stereotyp en gelijken op de Babinski reflex (strekken van de voet, buigen van de knie en de heup). Het interval tussen de bewegingen is vrij constant en bedraagt 20 tot 40 sec. Eén of beide benen kunnen deze afwijking vertonen, waarbij de periodiciteit van de twee ledematen verschillend kan zijn. De patiënt is zich doorgaans niet bewust van deze aandoening, doch de bedpartner kan hinder ondervinden van het repetitieve “schoppen”. De periodieke beenbewegingen interfereren wel met de slaap, doordat zij ontwaakreacties induceren. Dit kan een oorzaak zijn van zowel insomnia als slaperigheid overdag.
 

Restless legs


Deze term verwijst naar een aandoening waarbij er hinderlijke gewaarwordingen (paresthesieën) optreden ter hoogte van de ledematen, meestal de benen, in rusttoestand. Het gaat om een onaangename, kriebelende of wriemelende sensatie ter hoogte van de kuiten, die zich soms uitbreidt naar de knieën, dijen en armen. De klachten nemen toe in rust, vaak bij het naar bed gaan, en kunnen het inslapen verhinderen. Beweging is de enige manier om deze sensatie te onderdrukken. Patiënten met restless legs verplaatsen vaak de benen en moeten soms het bed uit om de ledematen te strekken. Alhoewel men meestal geen oorzaak vindt, weet men toch dat deze kwaal vaker voorkomt bij bloedarmoede, nierziekten, diabetes of andere interne aandoeningen. Familiale vormen van restless legs zijn bekend. Patiënten met restless legs vertonen frequent ook periodieke beenbewegingen, doch het omgekeerde is niet noodzakelijk waar. De behandeling is medicamenteus na uitsluiten en aanpakken van een eventuele primaire oorzaak.
 

Alcohol en slaapstoornissen


Het gebruik van een “slaapmuts” is populair en wordt soms geadviseerd aan slechte slapers. Alhoewel een beperkte hoeveelheid alcohol kan helpen bij de geestelijke en lichamelijke ontspanning die voorafgaat aan de slaap, moet het gebruik van alcohol toch ontraden worden. Een grote dosis alcohol vóór het slapengaan brengt meestal een roes teweeg, waardoor de slaap vrij snel intreedt. In de tweede helft van de nacht echter, wanneer de alcoholconcentratie in het bloed onder een bepaald peil zakt, wordt het ontwaken gestimuleerd en kan men nog moeilijk de slaap hervatten.
Alcoholici kennen een vroegtijdige aftakeling van hun slaap. De slaap is oppervlakkig en gefragmenteerd. Essentiële slaapstadia komen er minder in voor. Overdag kan overdreven slaperigheid optreden. Ook na ontwenning kunnen de slaapstoornissen gedurende jaren persisteren, en een oorzaak zijn van een recidief van het alcoholisme.
 

Verandering van tijdszone (jet lag) 


Na een transmeridiane vlucht, waarbij meerdere tijdszones overschreden worden, wordt het endogene circadiane ritme geconfronteerd met een nieuw extern tijdschema. Dit gaat gepaard met een tijdelijke verstoring van een aantal lichaamsfuncties, zoals spijsvertering en slaap. Slapeloosheid is vaak onvermijdelijk doordat het individu gaat slapen op een ogenblik dat de interne klok nog op dagtijd is ingesteld. Naast slapeloosheid kan de aan jet lag onderhevige persoon nog andere symptomen vertonen: moeheid, hoofdpijn, verminderde cognitieve performantie, humeurigheid, indigestie. De resynchronisatie gebeurt geleidelijk, à rato van één tot twee uren per dag. Vermits de endogene klok gemakkelijker vertraagt dan versnelt, zal de aanpassing aan een westwaartse vlucht doorgaans minder problemen stellen in vergelijking met een reis naar het oosten.
 

Ploegenarbeid 


Ploegenarbeiders werken op onconventionele uren, zoals nachtdienst of volgens roterende shifts. De problemen die hierdoor ontstaan gelijken goed op jet lag, ook al is er geen verplaatsing met het vliegtuig. De aanpassing aan een schema waarbij gewerkt wordt terwijl anderen slapen (en omgekeerd) is niet evident. Wanneer mensen van de nachtploeg trachten te slapen overdag, merken zij vaak dat hun slaap verstoord wordt door licht, lawaai of te hoge omgevingstemperatuur. Waar zij zich meestal niet van bewust zijn is het feit dat de slaap niet volgens normale cycli verloopt, daar de programmering ervan ingesteld is op de nacht. Dit kan eveneens leiden tot niet-verkwikkende slaap. Het conflict tussen de “opgelegde” slaap overdag en de “geprogrammeerde” slaap ’s nachts kan tevens aanleiding geven tot ernstige inslaap- en doorslaapstoornissen. Adaptatie aan het veranderde slaap/waak-ritme kan moeizaam verlopen bij snelroterende shifts of bij shifts die telkens op een vroeger tijdstip beginnen (zoals vaak het geval is in de Belgische industrie). Omgekeerd stelt men vast dat de ploegenarbeider het risico loopt  om in slaap te vallen tijdens de shift. Daar dit schier onvermijdelijk is verdient het aanbeveling om op vaste tijdstippen dutjes in te lassen tijdens de werkperiode. Door cumulerend slaaptekort kunnen gevaarlijke situaties ontstaan, vooral wanneer de ploegenarbeider voor het transport naar en van het werk aangewezen is op eigen vervoer. Uiteindelijk is het voor velen in deze sector moeilijk tegelijkertijd te voldoen aan de noodzaak om te slapen en toch toe te komen aan een normaal gezinsleven of deel te nemen aan socio-culturele activiteiten.
 

Vertraagde slaapfase-syndroom 


Bij het vertraagde slaapfase-syndroom komt de intrede van de slaap veel later dan gewenst en is het schier onmogelijk om te ontwaken op een normaal ochtenduur. Het inslapen verloopt gewoonlijk steeds op hetzelfde tijdstip (na middernacht). De slaap verloopt verder ongestoord. De volledige slaapepisode is dus te laat “geprogrammeerd” in de maatschappelijke 24-uurs cyclus. De belangrijkste klachten zijn slapeloosheid in het begin van de nacht of slaperigheid in de ochtend. Het onderscheid met insomnia is echter dat het bemoeilijkte inslapen gevolgd wordt door een normale hoeveelheid ongestoorde slaap. Alle pogingen van het individu om de slaaptijd naar een vroeger tijdstip te verplaatsen zijn futiel. Niet zelden gebruiken deze patiënten slaapmiddelen (of alcohol) om vroeger te kunnen inslapen. Het vertraagde slaapfase-syndroom is een obstakel om ochtendlijke sociale of professionele verplichtingen na te komen. In ernstige gevallen kan dit zelfs leiden tot ontslag.
 

Versnelde slaapfase-syndroom 


Het versnelde slaapfase-syndroom is gekenmerkt door het steevaste onvermogen om het intreden van de slaap uit te stellen tot een normaal avonduur, alsook om het doorslapen te verlengen tot een normaal ochtenduur. De volledige slaapepisode is dus te vroeg “geprogrammeerd” in de maatschappelijke 24-uurs cyclus. De belangrijkste klachten zijn slaperigheid naar de avond toe of doorslaapproblemen in de vroege ochtend. Het onderscheid met insomnia is echter dat het vroege ontwaken voorafgegaan wordt door een normale hoeveelheid ongestoorde slaap. De prestaties overdag, op school of op het werk, worden niet verstoord door slaperigheid. De avondactiviteit daarentegen is beperkt door de noodzaak om veel vroeger te stoppen dan hetgeen aanvaardbaar is volgens de sociale norm. Alle pogingen van het individu om de slaaptijd naar een later tijdstip te verschuiven zijn gedoemd om te mislukken.
Het versnelde slaapfase-syndroom kan familiaal voorkomen. Soms wordt gezien op oudere leeftijd, waar het in combinatie kan voorkomen met een toestand van dementie.


14 regels voor betere slaap
  
1.  Slaap enkel zoveel als nodig is om u fris te voelen tijdens de volgende dag. Door de tijd in bed te beperken wordt de slaap vanzelf verbeterd. Teveel tijd in bed spenderen leidt tot onderbroken en oppervlakkige slaap.
2.  Sta op omstreeks eenzelfde tijdstip, iedere dag van de week. Op regelmatige tijdstippen wakker worden geeft automatisch aanleiding tot regelmaat bij het inslapen.
3.  Dagelijkse lichaamsbeweging in de ochtend of vroege namiddag (niet in de late namiddag) verbetert de slaap.
4.  Isoleer de slaapkamer tegen lawaai en licht.
5.  Zorg voor een ideale temperatuur in de slaapkamer. Overdreven warmte of koude kan de slaap verstoren.
6.  Zowel honger als een volle maag kunnen slaap verstoren. Een lichte snack vóór het slapen gaan kan de slaap bevorderen.
7.  Vermijd om grote hoeveelheden water te drinken in de avond, zodat nachtelijk opstaan om te plassen voorkomen wordt.
8.  Vermijd cafeïne bevattende dranken (koffie, thee, cola) in de namiddag en de avond.
9.  Het chronisch gebruik van tabak verstoort de slaap, omdat nicotine opwekkende effecten heeft.
10.  Vermijd alcohol, vooral 's avonds. Alhoewel alcohol soms het inslapen bevordert, heeft het toch een slaapverstorend effect in de tweede helft van de nacht.
11.  Indien u nerveus of gefrustreerd wordt omdat u niet kunt inslapen, doet u er best aan om op te staan, naar een andere kamer te gaan en u wat te ontspannen. Het heeft geen zin om inspanningen te doen om in slaap te geraken, want dit lukt toch niet.
12.  Zo het voorkomt dat u veel ligt te piekeren in bed, doet u er goed aan om 's avonds een pieker(half)uurtje in te lassen vooraleer u gaat slapen. Zodoende is geen noodzaak meer tot nadenken op het ogenblik dat u te bed gaat.
13.  Als u teveel naar de wekker kijkt tijdens de nacht, of indien het geluid van de wekker u hindert, verwijder dan de wekker uit uw nabijheid.
14.  Gebruik niet meer dan twee- tot driemaal per week een slaappil.


 

 Research

 


1. Gepubliceerde wetenschappelijke studies


Het verband tussen slaapstadia, lichaamshouding en effectieve nasale CPAP
In deze retrospectieve studie werden de gegevens van 100 slaapapnoepatiënten geanalyseerd. De voornaamste bevindingen zijn dat
(1) patiënten met houdingsgebonden slaapapnoe (dwz. slaapapnoe beperkt tot rugligging) spontaan de rugligging vermijden;
(2) 40% van de patiënten die tijdens NREM slaap enkel in rugligging slaapapnoe vertonen dit houdingseffect verliezen tijdens REM slaap;
(3) patiënten met houdingsgebonden slaapapnoe doorgaans een lagere nasale CPAP vergen dan patiënten met niet-houdingsgebonden slaapapnoe.
 

Het effect van de lichaamshouding op de vorm en afmetingen van de bovenste luchtweg bij slaapapnoepatiënten
Fast-CT scanning werd toegepast bij slaapapnoepatiënten; de vorm en de afmetingen van de bovenste luchtweg werden bestudeerd vanaf het niveau van het harde verhemelte tot het niveau beneden de tongbasis. Beeldvorming werd uitgevoerd tijdens waaktoestand in rugligging, zijligging en buikligging bij enerzijds patiënten met houdingsgebonden slaapapnoe (dwz. beperkt tot rugligging - P groep) en anderzijds patiënten met slaapapnoe in alle lichaamshoudingen (NP groep); de zijdelingse diameter van de bovenste luchtweg bleek kleiner te zijn bij de NP groep in vergelijking met de P groep, vooral wanneer de patiënten zich in rugligging bevonden.

Bedwateren bij slaapapnoepatiënten
Bedwateren kan een manifestatie zijn van het slaapapnoesyndroom. Het bedwateren verdwijnt van zodra een effectieve therapie wordt ingesteld.
 

De centraal-veneuse bloeddruk kan een rol spelen bij het ontstaan van slaapapnoe
Fast-CT scanning werd toegepast voor de beoordeling van het effect van gewijzigde centraal-veneuse druk (CVD) op de vorm en de afmetingen van de bovenste luchtweg bij 10 slaapapnoepatiënten; verhoging van de CVD door elevatie van de benen ging gepaard met een verkleining van de afmetingen van de bovenste luchtweg, terwijl daling van de CVD door pooling van bloed in de benen (bekomen door plaatsing van een manchet beiderzijds) gepaard ging met een toename van de diameter van de keelholte.

Slaapmiddelen kunnen veilig afgebouwd worden bij gehospitaliseerde bejaarden
Een kortdurend ontwenningsprogramma werd aangeboden aan 56 gehospitaliseerde geriatrische patiënten; 49 patiënten namen deel aan de studie; van deze groep slaagde 78% erin om de slaapmiddelen te staken na een termijn van 14 dagen, dit zonder belangrijke ontwenningsverschijnselen door te maken.
 

Externe nasale dilatatie heeft een gunstig effect op het snurken bij patiënten met chronische rhinitis
Externe nasale dilatatie, bekomen door het aanbrengen van een Breathe Right pleister op de neusrug, vergemakkelijkt de neusademhaling door tractie op de neusschelpen en verbreding van de neusgaten; het effect van de Breathe Right neusklever werd in een gerandomizeerde en placebo-gecontroleerde studie nagegaan bij 12 habituele snurkers met chronische rhinitis. Slaaponderzoek toonde aan dat het snurken met ongeveer 33% vermindert door toepassing van de actieve neuspleister in vergelijking met placebo.
 

Vocalisatie tijdens episoden van verlengde uitademing: een REM slaap gerelateerde parasomnia
In dit artikel wordt een nieuwe slaapstoornis beschreven. Patiënten, vaak jonge personen, vertonen luid kreunen in de slaap. Dit kreunen wordt vooral opgemerkt in de laatste REM cycli van de nachtelijke slaap. Na een diepe inademing volgt een trage uitademing tijdens dewelke het kreunen zich voordoet. Meerdere dergelijke episoden kunnen na mekaar optreden. De patiënt is zich meestal niet bewust van dit fenomeen, doch de slaap van de bedpartner kan er erg door gestoord zijn.
   "vocalization during REM Sleep" (1) of (2) 
 

2. Wetenschappelijke studies in uitvoering


Onderlinge vergelijking van auto-CPAP toestellen gebaseerd op flow limitation versus forced oscillation technique
 
Afbouw van slaapmiddelen bij gehospitaliseerde bejaarden (2) (RCT - M. Petrovic et al.)
 
Consumptieprofiel van slaapmiddelen en kalmeringsmiddelen in het UZ Gent (Concomitante observationele studie - H. Warie et al.)
 
Slaap bij patiënten met chronisch vermoeidheidssyndroom in vergelijking met gezonde controlepersonen (Case control study - A. Mariman et al.)
 
Keuze van mondapparaten ter behandeling van snurken en slaapapnoe (M. De Meyer et al.)
 
Effect van UPPP op phonatie (M. Moerman et al.)

 

 

 

 

 

Disclaimer ©2010 Universitair Ziekenhuis Gent, De Pintelaan 185, 9000 Gent - info@uzgent.be - 09 332 21 11