Slideshow: in de kijker


Het project Gerodent van het UZ Gent trekt sinds 2010 naar woonzorgcentra en verleent er curatieve en preventieve mondzorg.

Lees meer


De Warmste Week nadert. Dat merkt u onder meer aan de verschillende acties die in het UZ Gent lopen.

Lees meer


Het UZ Gent is vlot bereikbaar. Op de campus maakt een routesysteem u wegwijs.

Lees meer

​Slaapstoornissen

Dat slaapstoornissen vaak voorkomen bij de bevolking is reeds lang bekend. In de afgelopen decennia is aan de hand van epidemiologisch onderzoek vastgesteld dat meer dan een kwart van de volwassenen slaapstoornissen vertonen, gaande van occasionele tot zeer frequente of zelfs dagelijkse klachten. Het verbruik van slaapmiddelen, bedoeld om deze slaapstoornissen beter te 'controleren', is alarmerend hoog. Slaapstoornissen gaan gepaard met een verhoogde kans op bijkomende ziekteprocessen, en kunnen soms fatale gevolgen hebben. Los van een verhoogde kans op ziekte of op overlijden, moet het belang van de impact van slaapstoornissen op de levenskwaliteit beoordeeld worden. Miljoenen mensen leven dag in dag uit, in een wazige mist van slaperigheid en vermoeidheid. Aan vele mensen wordt een abnormaal slaap/waak-ritme opgelegd, denken we maar aan mensen in ploegenarbeid en aan personen die vaak het vliegtuig nemen naar verre bestemmingen.
Andere voorbeelden van nefaste gevolgen van problemen met de slaap zijn verkeersongevallen door het inslapen achter het stuur, het plaatsen van ouderen in bejaardentehuizen omdat ze nachtelijke verwardheid vertonen, overlijden van jonge baby's tijdens de slaap – de zogenaamde wiegendood. Een betere erkenning en behandeling van deze problematiek is aan de orde.
Specialisten die de slaapgeneeskunde beoefenen erkennen de noodzaak van vroege diagnose en behandeling van ziekten die gekoppeld zijn aan de slaap, van bij de geboorte tot in de laatste levensjaren. Hierbij wordt ook groot belang gehecht aan preventie, onderzoek, gezondheidsopvoeding en -voorlichting.
In die optiek zijn er in de meeste Westerse landen professionele verenigingen ontstaan die tot doel hebben de kennis over de slaap te ontwikkelen en de gezondheidszorg op het domein te verbeteren. In ons land is dit de Belgische Vereniging voor de Studie van de Slaap (Belgian Association for the Study of Sleep, afgekort BASS).

Hier lees je meer over volgende slaapstoornissen: 

Hypersomnia

1. Wat is hypersomnia?
2. Gevolgen
3. Diagnostische problemen
4. Oorzaken van hypersomnie

1. Wat is hypersomnia?
Overdreven slaperigheid is een symptoom dat aangetroffen wordt bij een reeks van specifieke ziektebeelden (zie Tabel). Onder 'hypersomnie' of 'hypersomnolentie' verstaat men een medische conditie gekenmerkt door dagelijks terugkerende en meermaals in de loop van de dag aanwezige episoden van slaperigheid. Deze somnolentie kent een crescendo verloop en mondt onvermijdelijk uit in een toestand van effectieve slaap. Slaperigheid kan voorkomen in verschillende gradaties, gaande van mild (vb. enkel na het middagmaal) tot ernstig, waarbij het individu bij herhaling in slaap valt in ongewone omstandigheden (vb. tijdens de maaltijd, tijdens een gesprek met iemand of bij het besturen van een voertuig op een kort traject). Deze somnolentie komt vooral tot uiting in permissieve omstandigheden, zoals tijdens zittend werk, lezen, tv-kijken, bijwonen van vergaderingen en rijden met de wagen. Vechtend tegen de slaap kunnen de patiënten een vorm van 'automatisch gedrag' vertonen. Dat wil zeggen dat zij handelingen uitvoeren, waarvan zij zich achteraf niet meer kunnen herinneren wanneer of hoe zij deze hebben volbracht.

2. Gevolgen
De gevolgen van excessieve slaperigheid tijdens de dag kunnen ernstig zijn. Zowel in de familiekring als op het werk kan de slaperigheid verward worden met luiheid of gebrek aan motivatie. Het indommelen in het bijzijn van anderen is zonder meer gênant. De patiënt met hypersomnie zal deze situatie zoveel mogelijk trachten te voorkomen of te camoufleren, bijvoorbeeld door dutjes te doen op het toilet. Patiënten met slaapapnoe of narcolepsie ervaren een permanente verstoring van hun werkcapaciteit door de steeds terugkerende slaperigheid en gebrekkige cognitieve performantie. Vaak geven zij zelf een negatieve appreciatie van hun geleverde werk.

3. Diagnostische problemen
De volle draagwijdte van het symptoom 'hypersomnolentie' is vaak moeilijk in te schatten. De geraadpleegde arts is zich niet steeds bewust van het belang van deze klacht. Bovendien kan de ondervraging door de arts ontoereikende informatie opleveren, wanneer de patiënt de ernst van zijn slaapzucht onderschat. Het inwinnen van gegevens bij de partner zal in een aantal gevallen een betere appreciatie toelaten.

Het is zeer belangrijk om een onderscheid te maken tussen 'moeheid' en 'slaperigheid'. Alhoewel patiënten met chronische vermoeidheid een gestoorde slaap kunnen vertonen, staat somnolentie doorgaans niet op de voorgrond. Zij klagen vooral van onvoldoende mentale en fysieke energie om courante activiteiten en arbeid te verrichten. Patiënten met overdreven slaperigheid daarentegen ondervinden meestal geen moeheid zolang zij lichamelijk actief zijn. Van zodra zij echter gaan zitten of overgaan tot rustige activiteit, worden zij overmand door de slaap.

4. Oorzaken van hypersomnie

  • Slaapapnoesyndroom
    • centraal (incl. Cheyne-Stokes ademhaling)
    • obstructief
    • slaapgebonden alveolaire hypoventilatie
  • Narcolepsie
  • Idiopathische centraal-nerveuze hypersomnia
  • Periodic Limb Movements en restless legs
  • Kleine-Levin syndroom
  • Psychiatrische aandoeningen
    • affectieve stoornissen
    • varia
  • Medische aandoeningen
    • Hypothyroïdie
    • orgaaninsufficiëntie in precomateuze fase
    • infectieziekten
    • varia
  • Medicatie, gebruik van alcohol en drugs
  • Gebrekkige slaap/waak-hygiëne met slaapdeprivatie


Insomnia/slapeloosheid

1. Wat is insomnia?
2. Voorbijgaande insomnia
3. Chronische slapeloosheid
4. Psychofysiologische insomnia
5. Insomnia en slaapmiddelengebruik

1. Wat is insomnia?
Onder slapeloosheid (insomnia) wordt verstaan dat men regelmatig moeilijkheden ondervindt bij het inslapen of het doorslapen. Deze term wordt algemeen gebruikt om aan te geven dat er een tekort is aan de hoeveelheid nachtelijke slaap. Slapeloosheid komt vaak voor, in sommige epidemiologische studies bedraagt de prevalentie tot één derde van de volwassen bevolking. Insomnia heeft nare gevolgen. Het leidt tot een verminderd gevoel van algemeen welzijn, vermoeidheid, slecht humeur, gedaalde motivatie, alsook tot stoornissen van de aandacht en de waakzaamheid. Deze mensen vertonen ook een laag energiepeil en hebben moeite om zich te concentreren.

2. Voorbijgaande insomnia.
Deze stoornis manifesteert zich gedurende een relatief korte tijdspanne die niet langer dan enkele weken duurt. Het gaat om een eerder benigne vorm van slapeloosheid, die uitgelokt kan worden door bv. stress of door socio-economische moeilijkheden. Doorgaans lost het probleem zich vanzelf op.

3. Chronische slapeloosheid
Chronische slapeloosheid is een ernstiger probleem. Vaak gaat het om een stoornis die qua ernst toeneemt in de loop der tijd. Uiteindelijk kan chronische slapeloosheid aanleiding geven tot secundaire ziekten, zoals depressie en kan impact hebben op sociaal, professioneel en persoonlijk leven.

Insomnia moet beschouwd worden als een symptoom en niet als een ziekte op zichzelf. Vaak gaan er andere stoornissen onder schuil. Insomnia is dikwijls ook de resultante van meerdere factoren die tegelijkertijd een rol spelen.
Een aantal mensen worden 'kwetsbaar' geboren. Reeds van kindsbeen af zijn ze slechte slapers, die soms uren wakker liggen of vaak opstaan uit bed. Ze zijn als het ware voorbestemd om chronische insomnia te ontwikkelen. Alhoewel chronische insomnia aanleiding kan geven tot andere psychiatrische stoornissen, kunnen majeure psychiatrische ziektebeelden, zoals bv. depressie, op zichzelf gepaard gaan met insomnia. Sommige bevorderende factoren voor insomnia zijn toe te schrijven aan de levensstijl: overmatig gebruik van de stimulantia zoals bv. cafeïne en nicotine, gebruik van alcohol (dat weliswaar het inslapen kan bevorderen, doch het doorslapen flink kan bemoeilijken), naar bed gaan op verkeerde tijdstippen en overmatige inactiviteit zijn hiervan bekende voorbeelden.

4. Sommige mensen hebben zichzelf aangeleerd om slecht te slapen.
Deze aandoening, ook nog 'psychofysiologische insomnia' genoemd, is de resultante van een negatieve spiraal. Deze mensen slagen er niet in om op een normale manier in slaap te geraken en hoe meer inspanningen zij doen om in slaap te vallen, des te alerter hun geest wordt. Het gewoonlijke slaapritueel, zoals bv. pyjama aantrekken, gordijnen dichtdoen, tanden poetsen, etc. doet deze mensen eraan herinneren dat ze de zoveelste slechte nacht tegemoet gaan. Op dat ogenblik worden ze angstig en hypernerveus. Wanneer ze daarentegen niet de intentie hebben om te slapen, zoals bv. bij het tv-kijken, vallen ze toch vlot in slaap. Deze mensen zullen 's nachts ook liggen piekeren, zich afvragen hoelang ze nog 'moeten' wakker liggen (ze kijken vaak naar de wekker) en zullen 's ochtends gefrustreerd en geradbraakt opstaan. De kern van deze stoornis is negatieve conditionering en het zichzelf aanleren, zij het onbewust, van een onaangepast slaapgedrag.

5. Insomnia en slaapmiddelengebruik
Het systematisch gebruik van slaapmiddelen is voor de behandeling van deze stoornis af te raden, omdat courante slaapmiddelen reeds na enkele weken gebruik hun effect verliezen. Om eenzelfde effect te bekomen moet men steeds een hogere dosis gebruiken of overschakelen op sterkere middelen. Dat leidt uiteindelijk tot verslaving. Wanneer met die middelen plotseling wordt gestopt kan het zijn dat de slapeloosheid in sterke mate toeneemt. Daarom verdient het aanbeveling er niet abrupt te stoppen met slaapmiddelengebruik, maar eerder geleidelijk af te bouwen.

6. Wat te doen bij insomnia?
Slapeloosheid kan ook het gevolg zijn van externe factoren, zoals bv. te veel licht, te veel lawaai of kan voortvloeien uit lichamelijke ziekte (zoals bv. moeilijkheden met de ademhaling, aandoeningen die gepaard gaan met pijn of chronische ongemakken). Patiënten met chronische insomnia zijn zelden in staat om uit zichzelf tot een beter slaap/waak-ritme te komen. Doktersadvies is dan ook meestal noodzakelijk. Toch zijn er een aantal vrijblijvende maatregelen die in verband hiermee kunnen genomen worden en die vaak tot een verbetering van de toestand leiden. Dat zijn de zogenoemde maatregelen voor goede slaap/waak-hygiëne.

Narcolepsie

1. Wat is narcolepsie?
2. Symptomen
a) Steeds terugkerende slaperigheid en 'slaapaanvallen'
b) Cataplexie
c) SOREMP
3. HLA-associatie
4. Diagnose
5. Behandeling

1. Wat is narcolepsie?
Narcolepsie is een neurologische stoornis, waarvan de oorsprong nog onvoldoende is opgehelderd. Narcolepsie wordt gekenmerkt enerzijds door overdreven slaperigheid overdag (waarbij het individu meermaals is slaap valt) en anderzijds door abnormale REM-slaapfenomenen, die zich zowel tijdens de slaap als tijdens de waaktoestand gaan manifesteren. De verschijnselen variëren van milde symptomen tot invaliderende afwijkingen.

2. Symptomen
De belangrijkste symptomen van narcolepsie zitten vervat in de volgende tetrade:

  • steeds terugkerende slaperigheid en 'slaapaanvallen'
  • cataplexie
  • slaapparalyse
  • hypnagoge hallucinaties

a) Steeds terugkerende slaperigheid en 'slaapaanvallen'
De slaperigheid overdag kan zeer hinderlijk zijn. Het gaat om een toenemend slaperigheidspatroon dat uiteindelijk aanleiding geeft tot een periode van effectieve slaap. Na een korte slaapperiode voelt de narcolepticus zich verfrist, maar weldra treedt andermaal een gevoel van slaperigheid op. Dergelijke episodes van slaap duren 10 à 30 minuten en kunnen zich meermaals voordoen in de loop van de dag. Zij komen vooral tot uiting in rustige omstandigheden, zoals tijdens zittend werk, bijwonen van vergaderingen en rijden met de wagen. Vechtend tegen de slaap kunnen de patiënten een vorm van 'automatisch gedrag' vertonen (dat wil zeggen dat ze taken uitvoeren, waarvan ze zich achteraf niet meer kunnen herinneren wanneer of hoe ze dat gedaan hebben). De gevolgen van uitgesproken slaperigheid tijdens de dag kunnen ernstig zijn. Zowel in de familiekring als op het werk kan de slaperigheid verward worden met luiheid of gebrek aan motivatie. Dat leidt tot familiale en sociale herrie, met eventueel echtscheiding en verlies van tewerkstelling. Zolang de aandoening onherkend blijft, beseft de patiënt niet wat er aan de hand is. De voortdurende slaperigheid kan een bron zijn van frustratie, zelfverwijt, depressie, alsook van ontkenning: patiënten onderschatten of minimaliseren dat probleem om niet het gevaar te lopen het voorwerp van spot te zijn. Bovendien is de slaperigheid een gevaarlijke situatie, die de onmiddellijke aanleiding is van arbeids- en verkeersongevallen.

b) Cataplexie
Een ander kenmerk van narcolepsie is de aanwezigheid van een ongewone REM-slaapmanifestatie in de waaktoestand. Dat fenomeen, cataplexie genoemd, komt overeen met een plots, kortdurend krachtsverlies van de skeletspieren. Cataplexie wordt doorgaans uitgelokt door emotie. Zowel woede, een lachuitbarsting, als de emotionele opwinding bij een belangrijke gebeurtenis kunnen een aanval van cataplexie veroorzaken. De verschijnselen variëren van een zwaktegevoel in de gelaat- en nekspieren of in de benen, tot een bruuske val. Aangezien de patiënt het bewustzijn behoudt, is het onderscheid met banaal bewustzijnsverlies (syncope) duidelijk. Dit verschijnsel duurt enkele seconden tot enkele minuten en kan zich eveneens meermaals per dag voordoen. Sommige narcoleptici schuwen sociaal contact, precies vanwege deze aanvallen van spierverslapping. Ongeveer 60% van de narcolepsiepatiënten vertonen cataplexie. Dat symptoom kan zich vroegtijdig of laattijdig manifesteren in het verloop van de aandoening.

c) SOREMP
Een kenmerkende vaststelling bij het slaaponderzoek is dat REM-slaap zich kort na het inslapen voordoet. De slaap kan zelfs aanvangen met een REM-episode (SOREMP-sleep onset REM-period). Subjectief ervaren de narcolepsiepatiënten die plotse overgang naar REM-slaap als slaapparalyse (het individu is zich bewust van de omgeving, doch is niet in staat zich te bewegen), hetzij onder de vorm van hypnagoge hallucinaties (dat zijn levendige gebeurtenissen of gewaarwordingen die waargenomen worden in het begin van de slaap; achteraf realiseert men zich dat deze belevingen fictief waren). Zowel slaapparalyse als hypnagoge hallucinaties kunnen een beangstigend of bedreigend karakter hebben.
De nachtelijke slaap kan vervolgens normaal verlopen of onderbroken worden door herhaalde ontwaakepisodes.

3. HLA-associatie
De eerste verschijnselen van narcolepsie, meestal onder de vorm van slaperigheid, doen zich doorgaans voor op adolescentieleeftijd. Het gaat om een erfelijke aandoening, waarbij de overerving multifactorieel bepaald is. Er is een sterke associatie met het Humaan Leukocytair Antigen DR2 (HLA DR2).

4. Diagnose
In het slaaplaboratorium wordt een specifieke test toegepast voor de evaluatie van overdreven slaperigheid, alsook voor de detectie van de SOREMPs. De MSLT (Multipele Slaap Latentie Test) behelst het uitvoeren van vier tot vijf dutjes (met een maximale duur van 20 minuten en een interval van twee uur) in de loop van de dag. Ziekelijke slaapzucht is gekenmerkt door snel inslapen bij alle dutjes. De latentietijd tot inslapen bedraagt in dit geval gemiddeld minder dan vijf minuten. Wanneer bovendien in minstens twee van de dutjes een REM-slaapepisode optreedt, beschikt men quasi over de zekerheidsdiagnose van narcolepsie.

5. Behandeling
Vermits de oorzaak van narcolepsie voorlopig nog onvoldoende gekend is, is men aangewezen op symptomatische behandeling. Voor de slaperigheid worden opwekkende middelen (amfetamines of aanverwante stimulantia) voorgeschreven. De cataplexie reageert doorgaans goed op antidepressiva, vermits deze geneesmiddelen een sterke onderdrukking van de REM-slaap kunnen teweegbrengen. Bij sterk gefragmenteerde slaap en moeilijk te behandelen cataplexie kan eventueel een centraal sederend medicijn zoals gamma-hydroxy-boterzuur toegediend worden. Het belang van voorlichting van familie en werkgever, alsook van het inlassen van dutjes op geijkte tijdstippen, mag niet onderschat worden.

Parasomnia's

De benaming 'parasomnia' verwijst naar aandoeningen die niet zozeer het gevolg zijn van verstoringen van de slaap/waak-processen per se, maar die eerder gekenmerkt zijn door het tot uiting komen van ongewenste fysieke fenomenen tijdens de slaap.

  • Slaapwandelen
  • Praten in de slap
  • Slaapstuip
  • Slaappaniekaanval
  • Ritmische bewegingsstoornissen
  • Tandenknarsen
  • Nachtmerries
  • REM-slaapgedragstoornis

Slaapwandelen (somnabulisme)
Slaapwandelen ontstaat gewoonlijk tijdens een episode van diepe NREM-slaap. Vermits diepe NREM-slaap vooral in het begin van de slaap voorkomt, is de kans op slaapwandelen het grootst in de eerste helft van de nacht. Ontwaken vanuit dit slaapstadium verloopt moeizaam. Aangenomen wordt dat slaapwandelen het gevolg is van onvolledig ontwaken, waarbij het individu ergens in een ongedefinieerde toestand tussen slapen en waken vertoeft. De slaapwandelaar herinnert zich zijn nachtelijke 'wandeling' niet. Het gedragspatroon kan complex zijn. Slaapwandelen wordt vaker op jonge leeftijd gezien en verdwijnt meestal met het ouder worden.

Praten in de slaap (somniloquie)
Praten in de slaap is een vaak voorkomende en volstrekt goedaardige manifestatie. Het blijkt bij voorkeur op te treden in stadium II van de NREM-slaap.

Slaapstuip (hypnagoge schok)
De slaapstuip is een plotse lichaamsbeweging die zich voordoet tijdens de eerste inslaapperiode. Vaak gaat dit fenomeen gepaard met het gevoel 'in een put te vallen'. De slaapstuip is een vaak voorkomend curiosum van de slaap, waarvan het ontstaan nog niet is opgehelderd.

Slaap paniekaanval (pavor nocturnus)
Onder pavor nocturnus verstaat men een plotseling ontwaken uit NREM-slaap (doorgaans diepe NREM-slaap), waarbij het individu overeind veert, een luide gil slaakt, en tekenen van intense angst vertoont. Een snelle pols en transpiratie wijzen op activatie van het autonome zenuwstelsel. Net zoals bij slaapwandelen is het ontwaken onvolledig, want het slachtoffer van de paniekaanval reageert niet adequaat op externe stimuli, zoals aanspreken. Aanmoediging tot volledig ontwaken geeft meestal niet het gewenste resultaat: de persoon blijft in een toestand van verwarring. De aanval gaat spontaan voorbij. De volgende dag is er amnesie (geheugenverlies) voor het gebeurde. Pavor nocturnus is meest frequent tussen de leeftijd van 4 en 12 jaar en vertoont eveneens de neiging tot spontaan verdwijnen.

Ritmische bewegingsstoornissen
Ritmische bewegingsstoornissen zijn typische fenomenen die zich voordoen bij jonge kinderen, waarbij de symptomen zich ontwikkelen vóór het eerste levensjaar en meestal verdwenen zijn vóór het vierde levensjaar. Zelden persisteren deze stoornissen op volwassen leeftijd. De belangrijkste varianten zijn: 'hoofdbonken' (jactatio capitis) en 'lichaamswentelen'. De ritmische beweging situeert zich in de fase van doezelen die aan de slaap voorafgaat, hetzij in de oppervlakkige NREM-slaap.

Tandenknarsen
Bij het tandenknarsen maken de kaken malende bewegingen en worden de tanden krachtig over mekaar geschuurd. Tandenknarsen komt bij veel mensen voor. Het kan leiden tot vroegtijdige slijtage van de tandvlakken en tot overbelasting van de kaakgewrichten. Er zijn geen aanwijzingen dat er een associatie is met belangrijke medische of psychische problematiek. In ernstige gevallen is het dragen van een opbeetplaat noodzakelijk.

Nachtmerries
De omschrijving 'nachtmerrie' wordt gereserveerd voor een beleving tijdens de REM-slaap, waarbij de droombeleving een beangstigende inhoud heeft. In tegenstelling met de paniekaanval van de slaap, zal de nachtmerrie zich eerder in het midden of op het einde van de nacht voordoen. Een ander verschilpunt is het feit dat de nachtmerrie niet vertaald wordt in angstig lichamelijk gedrag, doch dat het individu als het ware 'verlamd' de angstdroom ondergaat.

REM-slaap gedragstoornis
Bij deze parasomnia is er een stoornis in het mechanisme van de REM slaap dat de spierkracht onderdrukt. De patiënten voeren hun dromen motorisch uit, waarbij zij soms agressief gedrag vertonen tijdens de slaap, zelfs in die mate dat zij zichzelf of hun partner verwondingen toebrengen. Meestal gaat het om oudere personen die overigens geen (andere) neurologische stoornissen vertonen. Het onderscheid met slaapwandelen is vrij evident: de parasomnische activiteit van patiënten met een REM-slaapgedragsstoornis zal zich meestal in de tweede helft van de nacht voordoen, wanneer de REM-slaap langer wordt en intenser gaat verlopen. Bovendien kunnen deze personen gemakkelijker uit hun abnormale slaapmanifestatie gewekt worden, en zullen zij zich hun droominhoud herinneren, waarbij dan een overeenkomst wordt gevonden tussen het thema van de droom en het geobserveerde gedrag.

Snurken en slaapapnoe

1. Wat is slaapapnoe?
2. Prevalentie
3. Snurken
4. Andere symptomen
5. Behandeling
a) algemene maatregelen
b) CPAP
c) mondapparaatje
d) chirurgische behandeling

1. Wat is slaapapnoe?
Apnoe betekent afwezigheid van ademhaling. De omschrijving 'slaapapnoesyndroom' verwijst naar een geheel van ziekteverschijnselen die het gevolg zijn van periodieke onderbrekingen van de ademhaling tijdens de slaap. Doorgaans berusten deze onderbrekingen op een belemmering van de luchtstroom doorheen de keel. Tijdens de slaap verslapt de kracht van de keelspieren. Als gevolg daarvan worden de tong en het weke verhemelte naar achteren verplaatst, waardoor de keelholte kleiner wordt en de weerstand voor de ingeademde lucht toeneemt. Wanneer de keel volledig dichtklapt tijdens de slaap, wordt de luchttoevoer naar de longen als het ware afgesneden, en ontstaat er apnoe. Gedeeltelijke afsluiting van de keelholte veroorzaakt een turbulentie van de luchtstroom, die het weke verhemelte en andere faryngeale structuren aan het trillen brengt. Dit fenomeen is beter gekend als snurken. Indien bij het snurken de luchtverplaatsing naar de longen afneemt, spreekt men van hypopnoe. Zowel apnoes als hypopnoes kunnen aanleiding geven tot zuurstofgebrek in het bloed.

2. Prevalentie
Het obstructief slaapapnoesyndroom (OSAS) wordt vooral gezien bij zwaarlijvige mannen van middelbare leeftijd, minder frequent bij vrouwen, kinderen en personen met een normaal gewicht. Ongeveer 2-4% of méér van de volwassen bevolking lijdt aan de één of andere vorm van slaapapnoe. De zeer ernstige vormen met nachtelijk zuurstofgebrek daarentegen komen waarschijnlijk niet vaker voor dan 3-4‰.

3. Snurken
De patiënt vertoont vaak hinderlijke symptomen. Luidruchtig snurken is typisch voor deze aandoening en gaat aan de overige symptomen meestal een aantal jaren vooraf. Die beginnen zich te manifesteren wanneer het snurken onregelmatig wordt. De regelmaat van het snurken wordt verbroken door geluidloze passages die in feite overeenstemmen met de hoger beschreven ademonderbrekingen. De apnoes worden beëindigd door een korte ontwaakreactie. Een dergelijke ontwaakperiode duurt meestal niet langer dan 3 tot 15 seconden en gaat veelal gepaard met lichaamsbewegingen en luid gesnurk. De ontwaakreactie is levensreddend omdat als gevolg hiervan de ademhaling terug op gang komt. Na enkele ademteugen echter wordt de slaap hervat en treedt een volgende apnoe op. Deze opeenvolging van gebeurtenissen kan zich 300 tot 600 maal in de loop van de nacht herhalen, met een relatieve frequentie van 20 tot 120 apnoes per uur slaap. Een zeldzame keer schrikt de patiënt wakker met een verstikkingsgevoel. Meestal echter weet de persoon in kwestie niet dat hij/zij tijdens de slaap zo veel apnoes heeft doorgemaakt en zo vaak is wakker geworden. Veeleer is het de bedpartner die deze beangstigende verschijnselen opmerkt en aanstuurt op inwinnen van doktersadvies. Door de opeenvolging van apnoes wordt de slaap telkens onderbroken en wordt nooit een diep, verkwikkend slaapstadium bereikt. Dat verklaart de slaperigheid overdag.

4. Andere symptomen
Overdreven slaperigheid tijdens de dag kan ernstige gevolgen hebben voor de patiënt. Meestal kan men achterhalen dat de slaperigheidsklachten progressief zijn toegenomen in de loop der jaren, gaande van doezelen tijdens eentonige situaties in de beginfase, tot uitgesproken slaapzucht op het einde. Geheugen- en concentratiestoornissen zijn eveneens belangrijke en vaak vermelde klachten.

Andere symptomen zijn: opstaan met een droge mond of pijnlijke keel, ochtendlijke hoofdpijn, frequent plassen 's nachts (soms bedwateren), nachtzweten en woelige slaap.
Bij slaapapnoepatiënten werd een gestegen risico aangetoond op hart- en vaatziekten (hoge bloeddruk, ritmestoornissen, hartfalen, hart- of herseninfarcten) met toegenomen sterfte als gevolg.
De diagnose van slaapapnoe wordt in het slaaplaboratorium gesteld aan de hand van een slaapstudie. Hierbij worden de apnoes, alsook hun nadelige effecten op de kwaliteit van de slaap en op de hartslag, gedocumenteerd en geteld.

5. Behandeling
a) Algemene maatregelen
Bij de behandeling van het slaapapnoesyndroom zijn enkele algemene maatregelen van belang. Alcohol voor het slapengaan moet vermeden worden. Alcohol kan het aantal en de duur van de apnoes doen toenemen. Hetzelfde geldt voor slaapmiddelen. Door vermagering kan de ernst van de aandoening gevoelig afnemen. Geneesmiddelen zijn tot nu toe weinig effectief gebleken.

b) CPAP
Momenteel wordt voor de behandeling van matig tot ernstig OSAS de voorkeur gegeven aan ademhalingsondersteuning dmv nasale CPAP (continuous positive airway pressure - continue positieve druk via de neus). Deze methode bestaat erin om tijdens de nacht met behulp van een luchtcompressor de neus- en keelholte onder positieve druk te brengen, via een verbinding met een neusmasker. Door de verhoogde luchtdruk wordt de keel opengehouden, waardoor het toeklappen van de keel verhinderd wordt. Deze behandeling wordt meestal goed verdragen en heeft een positief effect op de symptomen en op het cardiovasculaire risico. Slaaponderzoek tijdens de eerste nacht met nasale CPAP toont een sterke toename van zowel de diepe NREM- als van de REM-slaap.

c) mondapparaatje
Voor snurken en mildere vormen van slaapapnoe kan het dragen van een speciaal mondapparaatje een afdoende remedie zijn. Deze apparaten bestaan uit twee beugels, één die past op de onderste tandenrij, en één die past op de bovenste tandenrij. Beide beugels zijn verbonden door een verstelbare mechaniek, die toelaat om de onderkaak naar voor te schuiven ten opzichte van de bovenkaak. Door de onderkaak naar voor te houden tijdens de slaap, wordt de ruimte achter de tongbasis verbreed, hetgeen een gunstig effect heeft op snurken en slaapapnoe.
d) chirurgische behandeling
Voor snurken en mildere vormen van slaapapnoe wordt soms gekozen voor een heelkundige behandeling. De resultaten van UPPP (uvulo-palato-pharyngoplastiek of chirurgische wegname van de huig, de amandelbogen en een deel van de wand van het keelslijmvlies) zijn doorgaans bevredigend voor het snurken, maar laten vaak toch te wensen over voor wat de controle van de apnoes betreft. Recent werd het therapeutische arsenaal uitgebreid met technieken uit de maxillofaciale chirurgie. Door de toepassing van maxillo-mandibular advancement osteotomie (MMA), waarbij boven- en onderkaak naar voor geplaatst worden, creëert men een ruime verbreding van de keelopening, wat het dichtklappen van de keel tijdens de slaap bemoeilijkt, zoniet onmogelijk maakt (let wel: de normale slikfunctie blijft behouden). Bij deze groep wordt zo een curatief resultaat bekomen van 80% tot 90%.

Andere slaapstoornissen

  • Centraal apnoesyndroom
  • Nachtelijke myoclonus
  • Restless legs syndroom
  • Alcohol en slaapstoornissen
  • Verandering van tijdszone (jet lag)
  • Ploegenarbeid
  • Vertraagde slaapfasesyndroom
  • Versnelde slaapfasesyndroom

Centraal apnoesyndroom
Bij de obstructieve vorm van slaapapnoe wordt de ademhaling onderbroken door afsluiting van de bovenste luchtweg, dit terwijl de ademhalingsbeweging persisteert. Bij de centrale vorm blijft de bovenste luchtweg geopend en berust de onderbreking van de ademhaling op het wegvallen van de centrale prikkel tot ademen. Wanneer centrale apnoes veelvuldig voorkomen, veroorzaken zij dezelfde verschijnselen als bij het obstructief slaapapnoesyndroom. Snurken is evenwel geen karakteristiek verschijnsel bij deze vorm van apnoe. Centrale slaapapnoe's worden vooral gezien bij aandoeningen van de hersenstam en bij hartfalen.

Periodieke beenbewegingen

Bij periodic limb movement syndrome (PLMS) treden periodieke bewegingen van de ledematen op tijdens de slaap, meest frequent van de benen. De beenbewegingen zijn stereotyp en gelijken op de Babinski reflex (strekken van de voet, buigen van de knie en de heup). Het interval tussen de bewegingen is vrij constant en bedraagt 20 tot 40 sec. Eén of beide benen kunnen deze afwijking vertonen, waarbij de periodiciteit van de twee ledematen verschillend kan zijn. De patiënt is zich doorgaans niet bewust van deze aandoening, doch de bedpartner kan hinder ondervinden van het repetitieve 'schoppen'. De periodieke beenbewegingen interfereren wel met de slaap, doordat zij ontwaakreacties induceren. Dat kan een oorzaak zijn van zowel insomnia als slaperigheid overdag.

Restless legs
Deze term verwijst naar een aandoening waarbij er hinderlijke gewaarwordingen (paresthesieën) optreden ter hoogte van de ledematen, meestal de benen, in rusttoestand. Het gaat om een onaangename, kriebelende of wriemelende sensatie ter hoogte van de kuiten, die zich soms uitbreidt naar de knieën, dijen en armen. De klachten nemen toe in rust, vaak bij het naar bed gaan, en kunnen het inslapen verhinderen. Beweging is de enige manier om deze sensatie te onderdrukken. Patiënten met restless legs verplaatsen vaak de benen en moeten soms het bed uit om de ledematen te strekken. Alhoewel men meestal geen oorzaak vindt, weet men toch dat deze kwaal vaker voorkomt bij bloedarmoede, nierziekten, diabetes of andere interne aandoeningen. Familiale vormen van restless legs zijn bekend. Patiënten met restless legs vertonen frequent ook periodieke beenbewegingen, doch het omgekeerde is niet noodzakelijk waar. De behandeling is medicamenteus na uitsluiten en aanpakken van een eventuele primaire oorzaak.

Alcohol en slaapstoornissen
Het gebruik van een 'slaapmuts' is populair en wordt soms geadviseerd aan slechte slapers. Alhoewel een beperkte hoeveelheid alcohol kan helpen bij de geestelijke en lichamelijke ontspanning die voorafgaat aan de slaap, moet het gebruik van alcohol toch ontraden worden. Een grote dosis alcohol vóór het slapengaan brengt meestal een roes teweeg, waardoor de slaap vrij snel intreedt. In de tweede helft van de nacht echter, wanneer de alcoholconcentratie in het bloed onder een bepaald peil zakt, wordt het ontwaken gestimuleerd en kan men nog moeilijk de slaap hervatten.

Alcoholici kennen een vroegtijdige aftakeling van hun slaap. De slaap is oppervlakkig en gefragmenteerd. Essentiële slaapstadia komen er minder in voor. Overdag kan overdreven slaperigheid optreden. Ook na ontwenning kunnen de slaapstoornissen gedurende jaren persisteren, en een oorzaak zijn van een recidief van het alcoholisme.

Verandering van tijdszone (jet lag)
Na een transmeridiane vlucht, waarbij meerdere tijdszones overschreden worden, wordt het endogene circadiane ritme geconfronteerd met een nieuw extern tijdschema. Dat gaat gepaard met een tijdelijke verstoring van een aantal lichaamsfuncties, zoals spijsvertering en slaap. Slapeloosheid is vaak onvermijdelijk doordat het individu gaat slapen op een ogenblik dat de interne klok nog op dagtijd is ingesteld. Naast slapeloosheid kan de aan jet lag onderhevige persoon nog andere symptomen vertonen: moeheid, hoofdpijn, verminderde cognitieve performantie, humeurigheid, indigestie. De resynchronisatie gebeurt geleidelijk, a rato van één tot twee uren per dag. Vermits de endogene klok gemakkelijker vertraagt dan versnelt, zal de aanpassing aan een westwaartse vlucht doorgaans minder problemen stellen in vergelijking met een reis naar het oosten.

Ploegenarbeid
Ploegenarbeiders werken op onconventionele uren, zoals nachtdienst of volgens roterende shift. De problemen die daardoor ontstaan lijken goed op jet lag, ook al is er geen verplaatsing met het vliegtuig. De aanpassing aan een schema waarbij gewerkt wordt terwijl anderen slapen (en omgekeerd) is niet evident. Wanneer mensen van de nachtploeg trachten te slapen overdag, merken zij vaak dat hun slaap verstoord wordt door licht, lawaai of te hoge omgevingstemperatuur. Waar zij zich meestal niet van bewust zijn is het feit dat de slaap niet volgens normale cycli verloopt, daar de programmering ervan ingesteld is op de nacht. Dat kan eveneens leiden tot niet-verkwikkende slaap. Het conflict tussen de 'opgelegde' slaap overdag en de 'geprogrammeerde' slaap 's nachts kan tevens aanleiding geven tot ernstige inslaap- en doorslaapstoornissen. Adaptatie aan het veranderde slaap/waak-ritme kan moeizaam verlopen bij een snelroterende shift of bij een shift die telkens op een vroeger tijdstip begint (zoals vaak het geval is in de Belgische industrie). Omgekeerd stelt men vast dat de ploegenarbeider het risico loopt om in slaap te vallen tijdens de shift. Aangezien dat schier onvermijdelijk is, verdient het aanbeveling om op vaste tijdstippen dutjes in te lassen tijdens de werkperiode. Door cumulerend slaaptekort kunnen gevaarlijke situaties ontstaan, vooral wanneer de ploegenarbeider voor het transport naar en van het werk aangewezen is op eigen vervoer. Uiteindelijk is het voor velen in deze sector moeilijk om tegelijk te voldoen aan de noodzaak om te slapen en toch toe te komen aan een normaal gezinsleven of deel te nemen aan sociaal-culturele activiteiten.

Vertraagde slaapfase-syndroom
Bij het vertraagde slaapfase-syndroom komt de intrede van de slaap veel later dan gewenst en is het volstrekt onmogelijk om te ontwaken op een normaal ochtenduur. Het inslapen verloopt gewoonlijk steeds op hetzelfde tijdstip (na middernacht). De slaap verloopt verder ongestoord. De volledige slaapepisode is dus te laat 'geprogrammeerd' in de maatschappelijke 24 uurscyclus. De belangrijkste klachten zijn slapeloosheid in het begin van de nacht of slaperigheid in de ochtend. Het onderscheid met insomnia is echter dat het bemoeilijkte inslapen gevolgd wordt door een normale hoeveelheid ongestoorde slaap. Alle pogingen van het individu om de slaaptijd naar een vroeger tijdstip te verplaatsen zijn futiel. Niet zelden gebruiken deze patiënten slaapmiddelen (of alcohol) om vroeger te kunnen inslapen. Het vertraagde slaapfase-syndroom is een obstakel om ochtendlijke sociale of professionele verplichtingen na te komen. In ernstige gevallen kan dat zelfs leiden tot ontslag.

Versnelde slaapfase-syndroom
Het versnelde slaapfase-syndroom is gekenmerkt door het steevaste onvermogen om het intreden van de slaap uit te stellen tot een normaal avonduur, alsook om het doorslapen te verlengen tot een normaal ochtenduur. De volledige slaapepisode is dus te vroeg 'geprogrammeerd' in de maatschappelijke 24 uurscyclus. De belangrijkste klachten zijn slaperigheid naar de avond toe of doorslaapproblemen in de vroege ochtend. Het onderscheid met insomnia is echter dat het vroege ontwaken voorafgegaan wordt door een normale hoeveelheid ongestoorde slaap. De prestaties overdag, op school of op het werk, worden niet verstoord door slaperigheid. De avondactiviteit daarentegen is beperkt door de noodzaak om veel vroeger te stoppen dan hetgeen aanvaardbaar is volgens de sociale norm. Alle pogingen van het individu om de slaaptijd naar een later tijdstip te verschuiven zijn gedoemd om te mislukken.

Het versnelde slaapfase-syndroom kan familiaal voorkomen. Soms wordt het gezien op oudere leeftijd, waar het in combinatie kan voorkomen met een toestand van dementie.

14 regels voor een betere slaap

  1. Slaap enkel zoveel als nodig is om u fris te voelen tijdens de volgende dag. Door de tijd in bed te beperken wordt de slaap vanzelf verbeterd. Te veel tijd in bed doorbrengen leidt tot onderbroken en oppervlakkige slaap.
  2. Sta op omstreeks eenzelfde tijdstip, iedere dag van de week. Op regelmatige tijdstippen wakker worden geeft automatisch aanleiding tot regelmaat bij het inslapen.
  3. Dagelijkse lichaamsbeweging in de ochtend of vroege namiddag (niet in de late namiddag) verbetert de slaap.
  4. Isoleer de slaapkamer tegen lawaai en licht.
  5. Zorg voor een ideale temperatuur in de slaapkamer. Overdreven warmte of koude kan de slaap verstoren.
  6. Zowel honger als een volle maag kunnen slaap verstoren. Een lichte snack vóór het slapen gaan kan de slaap bevorderen.
  7. Vermijd om grote hoeveelheden water te drinken in de avond, zodat nachtelijk opstaan om te plassen voorkomen wordt.
  8. Vermijd cafeïnehoudende dranken (koffie, thee, cola) in de namiddag en de avond.
  9. Het chronisch gebruik van tabak verstoort de slaap, omdat nicotine opwekkende effecten heeft.
  10. Vermijd alcohol, vooral 's avonds. Alhoewel alcohol soms het inslapen bevordert, heeft het toch een slaapverstorend effect in de tweede helft van de nacht.
  11. Indien u nerveus of gefrustreerd wordt omdat u niet kunt inslapen, doet u er het best aan om op te staan, naar een andere kamer te gaan en u wat te ontspannen. Het heeft geen zin om inspanningen te doen om in slaap te geraken, want dat lukt toch niet.
  12. Ligt u vaak te piekeren in bed, dan doet u er goed aan om 's avonds een pieker(half)uurtje in te lassen vooraleer u gaat slapen. Zo maakt u nadenken in bed overbodig.
  13. Kijkt u te veel naar de wekker gedurende de nacht, of hindert het geluid van de wekker u, verwijder de wekker dan uit uw nabijheid.
  14. Gebruik niet meer dan twee- tot driemaal per week een slaappil.

De inhoud van deze pagina werd samengesteld door de betrokken dienst(en). Laatste update: 11-2-2016 10:22.

Locatie >

Ingang 12 (gebouw K12)

Route 1325

Team >

Aanbevolen Info >