Slideshow: in de kijker





Preprothetische chirurgie

De preprothetische chirurgie omvat alle ingrepen die nodig zijn voor de prothetische vervanging van verloren gebitselementen.

Nadat een tand verloren is, zijn er verschillende mogelijkheden om hem te vervangen.

Implantaat

Wanneer slechts één tand vervangen moet worden, kan bij de tandarts een brug worden vervaardigd. Voor die brug zullen de twee buurtanden als brugpijler dienstdoen. Daarom moeten ze worden omgeslepen, zelfs als zij nog helemaal ongeschonden zijn. Bovendien moeten ze sterk genoeg zijn om de brug te ondersteunen. De levensduur van de brug is immers grotendeels afhankelijk van de kwaliteit van de buurtanden.

Steeds vaker wordt daarom voor implantaten gekozen. Een implantaat is een schroef die in het bot wordt vastgezet en als kunstwortel dienstdoet. De tandarts maakt dan één enkele kroon die op de kunstwortel wordt vastgezet. Dankzij het implantaat is de levensduur van de prothesetand niet afhankelijk van de ­– mogelijk zwakkere – buurtanden. Ook hoeven geen gave tanden geslepen te worden. Een bijkomend voordeel: een individuele kroon is gemakkelijker schoon te maken dan een brugconstructie die drie of meer tanden met elkaar 'verblokt'.

Als verschillende aangrenzende tanden verloren zijn gaan, wordt wel nog vaak een brugconstructie gebruikt. Ook dan wordt vaker gekozen voor een brug die door twee of meer tandimplantaten wordt ondersteund.

Overkappingsprothese op implantaten

Wanneer alle tanden in de boven- of onderkaak verloren zijn, kan de volledige tandenboog vervangen worden door vast brugwerk op implantaten.

Vaker wordt echter gekozen voor een uitneembare prothese. Die wordt dan op implantaten vastgeklikt. Voor zo'n prothese zijn vaak minder implantaten nodig. Ook zijn de implantaten en de prothese op die manier gemakkelijker schoon te maken.

Botopbouw

Voor tandimplantaten is voldoende bot nodig om ze te kunnen verankeren. Wanneer de botkwaliteit of -kwantiteit onvoldoende is, kan het kaakbot worden verstevigd met lichaamseigen bot. Op een andere plaats in het lichaam wordt dan bot weggenomen, dat ter hoogte van de kaak weer wordt vastgezet.

  • Bekkenkam: ter hoogte van de voorste of achterste bekkenkam kan zowel hard corticaal bot als zacht beenmerg worden geoogst. Voor de ingreep wordt een incisie van 3 tot 4 centimeter gemaakt ter hoogte van de linker of rechter heupkam. In de eerste week na de ingreep zal de patiënt daardoor wat last hebben om te lopen en op het been te steunen.
  • Schedeldak: onder de behaarde hoofdhuid kan via een incisie van enkele centimeters een dunne laag hard corticaal bot worden geoogst. Dat is afkomstig van de buitenste schedellaag. Er blijft nog altijd een stevige binnenste botlaag om de schedelinhoud te beschermen. Bij kalende patiënten wordt deze ingreep niet zo vaak uitgevoerd omdat de incisie zichtbaar zou zijn.
  • Kin- of onderkaaksbot: als maar een beperkte hoeveelheid bot nodig is, kan een laagje hard corticaal bot worden verwijderd uit de kinregio of uit de zijkant van de onderkaak. Het voordeel is dat het litteken zich in de mond bevindt en dus aan de buitenkant niet te zien is.

Als maar een beperkte hoeveelheid bot nodig is, kan ook voor kunstbot worden gekozen. Men gebruikt daarvoor gevriesdroogd en gemalen runderbot waaruit alle eiwitten en celgroei werden verwijderd.

Sinuslift

In de bovenkaak bevindt zich de sinus of bijholte van de kaak. Soms is het nodig de bodem van deze holte met bot op te vullen: zo wordt meer bothoogte gecreëerd en kan men de implantaten beter verankeren. Daarvoor kan zowel lichaamseigen bot als kunstbot worden gebruikt.

Lateralisatie van de gevoelszenuw van de onderkaak

In de onderkaak loopt in de regio van de kiezen een zenuw die instaat voor het gevoel in de onderlip en kinregio. Soms is het nodig deze zenuw uit het bot te verplaatsen. In de regio waar de kiezen stonden, kunnen dan langere implantaten worden geplaatst.

De inhoud van deze pagina werd samengesteld door de betrokken dienst(en). Laatste update: 11-2-2016 10:12.

Locatie >

Team >